De Gelukkige Roofvogel

Bij de presentatie van De Gelukkige Roofvogel van Noud Bles, 26 sept. 2009, bij Selexyz Dekker vd Vegt, Nijmegen.

Dames en Heren,

Op 9 februari 1981 ontving ik een brief van het Literair Café Nijmegen, Oranjesingel 42 te Nijmegen. ‘Geachte inzender’ , luidt de aanhef, ‘Een commissie uit de redactie van het Literair Café heeft een selektie gemaakt uit de vele inzendingen voor de publieksavond “Nijmeegse Inkt”, die op 23 februari a.s. in O42 zal worden gehouden. Uit uw inzending kozen wij de bijdragen: ‘Gedichten van de sleur I, II, III en IV’. Na de ontvouwing van het programma stonden onder aan de brief de namen van Jos Versteegen en Noud Bles.
Dat was mijn eerste kennismaking met de laatstgenoemde. Op de bewuste avond, Carnavalsdinsdag, ontmoette ik hem in levende lijve. Ik had nauwelijks een stem want het Groesbeeks Carnaval zat daar nog in. Die van Noud Bles klonk zoals die nu nog klinkt: keurig, helder, Westers met een ‘hmhm’ erachteraan. Vriendelijke verschijning in coltrui en met het puntbaardje dat nog altijd zijn handelsmerk is. Een beetje aan de tijd ontsnapte man.

Ik begreep, dat ik het vooral aan Noud te danken had dat ik voor het eerst gedichten ten gehore kon brengen. Hij was mijn introductie in de wereld van de Nijmeegse letteren. Wij stonden beiden met onze gedichten in het bundeltje met proza en poëzie dat ter gelegenheid van die avond onder de titel Nijmeegse Inkt verscheen. Hij met drie gedichten en ik zoals gezegd met mijn kleine reeks van vier. Van die avond werden door de NCRV radio - opnames gemaakt en ik maak me sterk als daar niet de heer Bles achter zat.
Niet lang daarna trad ik zelf toe tot het Literair Café O42 en zou het - zij het met grote tussenpozen, soms van een jaar - niet meer ophouden Noud te ontmoeten. Wij debuteerden binnen een week in maart 1983, hij eerst met de roman De Barokjager, ik met mijn dichtbundel De einders tegemoet. Hier bij Dekker, nou ja, in de toenmalige kelder op Plein ’44 vonden de respectieve presentaties plaats.
In 1984 kwam ter gelegenheid van de boekenweek, ook weer bij Dekker van de Vegt Helias Achterna uit, een stand van zaken van de Nijmeegse Letteren door Margreet Janssen Reinen en Michiel van Kempen. Tussen de twaalf auteurs die Nijmegen volgens de samenstellers rijk was, stonden Noud en ik, al woonden wij beiden buiten de Nijmeegse grenzen.
In 1987 zou ik zijn plaats innemen in de jury van Nijmeegse Inkt III. Drie jaar nadien zouden wij beiden voor het eerst bij de welbekende Vlaamse uitgeverij Manteau publiceren, hij met zijn roman De Poolse weg, ik met mijn bundel Echo van een echo. Wij zouden er ieder twee boeken uitgeven, daarna kozen we een gescheiden weg. Althans op het gebied van onze publicaties want anderzijds zouden we elkaar nog vaak ontmoeten in het Nijmeegse literaire klimaat. Zeker als hij weer wat wilde organiseren wat weliswaar niet aan de orde van de dag maar beslist geen uitzondering was. Als beheerder van de vakgroep Anatomie/Embryologie van de faculteit Geneeskunde van de Nijmeegse Universiteit was hij vergroeid met de vergadercultuur wat hem te pas kwam als hij regelend doende was. Met een onnavolgbare ijver (‘vlijt’ zeiden wij vroeger) bestendigde hij het Nijmeegse letterenklimaat.

Nog steeds ontwikkelt hij vooral literair gerichte activiteiten, houdt hij dingen draaiend, vergaderingen op de rails, spoort hij mensen aan met een jaloers makende plichtsbetrachting en drijfkracht. Wie in het Nijmeegse literaire circuit zit, kan niet om hem heen; je komt hem hoe dan ook tegen.
Ik leerde hem waarderen als een stipte, nauwgezette, attente man, vooral degelijk, wars van pose. Maar ook: vasthoudend met een grote drang zijn schrijverschap naar een erkend niveau te tillen. Dat schrijverschap heeft hij steeds als roeping beschouwd, zijn bungalow aan de Europalaan in Gendt daarnaar ingericht. Met aan zijn rechterhand de ruimhartige, gastvrije Mieke.

Al woont hij er niet, zijn stad is zonder twijfel Nijmegen waar hij werkte, waar hij allerlei literaire activiteiten ontplooide, waarover hij verhuld of openhartig schreef in romans, verhalen en gedichten. Noud Bles is niet alleen een betrokken mens, ook een geëngageerd schrijver. In zijn nieuwe roman bijvoorbeeld zijn de vogelgriep, evacuatie, milieuactivisme, de Betuwelijn, het broeikaseffect, de kwestie inzake het noodoverloop-gebied voor- of achtergrond. Daardoor is De gelukkige roofvogel behalve een liefdesverhaal een tijdsdocument.

Het hoofdpersonage van het boek, Willem de Vree, rond de dertig, heeft veel weg van zijn schepper toen hij jong was. Evenals Noud, afgestudeerd H.T.S.’er, is hij expert in het onderhouden van uitgebreide computercontacten, schept hij genoegen in vergaderen en is hij bovendien een boekenfreak. Hij woont in een bungalow in Schuilenburg, dat wij al snel zullen gaan begrijpen als Doornenburg, niet ver van Gendt gelegen. Het gelijknamige kasteel speelt nota bene een cruciale rol. In de stad waartoe Willem zijn toevlucht zoekt, herkennen we Nijmegen en Willems beste vriend, ene Aemiel, is even ingewijd in waterschapszaken als Mieke. De andere personages zullen wellicht eveneens uit de biotoop van de schrijver stammen.

Ik wil u attenderen op een thema dat de hele roman actief blijft. Ik laat Willem de Vree aan het woord.
‘ Bij elk uit te brengen literair werk ga ik op jacht naar het vroegst gedrukte exemplaar. Een manuscript is nog mooier, maar onhaalbaar. Met uitgevers, drukkers en boekbinders maak ik afspraken. Niet met de bedrijven of hun bedrijfsleiders, die werken niet mee. De gewone werknemers in de boekenkolom geven mij de eerste tip, brieven hun planning aan mij door en drukken het exemplaar dat als eerste van de band loopt, voor mij achterover. Keer op keer lukt het me omdat ik over de juiste relaties beschik en de verborgen wegen ken. Mijn kanalen reiken diep in de uitgeverswereld en bereiken de juiste mensen. In ruil voor het begeerde boek lever ik de computerdiensten in natura. Ons beider voordeel is tijdelijk, ooit wordt alles openbaar, maar mijn winst is allesbehalve betrekkelijk. De opwinding, het gereedgekomen boek open te slaan vóór een gewone sterveling er een blik in kan werpen, laat zich met niets vergelijken. Gretig lees ik de eerste bladzijden, het eerste hoofdstuk.’
En even later:‘Het gaat mij om het eerste van het eerste. (..) De eerste bladzijde is de mooiste, het eerste hoofdstuk blijft mijn unieke leeservaring. (..) Alles wat daarna komt, verminkt de primaire indruk en dat kan ik mijzelf niet toestaan. (..) De rest van het boek is er om het eerste hoofdstuk te laten glanzen. Ik word nooit teleurgesteld over de afloop. Wat wens ik meer?’

Het nieuwe boek, het eerste hoofdstuk wordt langzaam maar zeker de metafoor voor de kortstondige liefdesbetrekkingen die Willem de Vree met een paar vrouwen aangaat. Elke vrouw is een nieuw hoofdstuk, maar als hij dat uitgebladerd heeft, wil hij niet verder. Hij is wat dat betreft een dilettant, misschien een romanticus. ‘Als je een boek na één hoofdstuk uit hebt,’ zegt hij, ‘schiet je lekker op. Telkens stort ik me in een nieuwe wereld, volg de aanloop van nieuwe gebeurtenissen en kies mijn favoriet onder de nieuwe personages. Vers ondergedompeld in de ene roman, plons ik zonder overgang of pauze in de volgende’ geeft hij toe; ‘en in de volgende vrouw’ voeg ik daaraan toe.

Willem de Vree - ik zeg het u nogmaals - leest nooit verder dan het eerste hoofdstuk van een boek. En dan gaat het vaak om dat van één bepaalde schrijver, van zijn favoriete schrijver, ik citeer: ‘ Opengeslagen bovenop de hoge stapel lag inderdaad de splinternieuwe roman van de alleen bij liefhebbers bekende auteur. Van dit boek was ik de eerste lezer, de eerste die de nieuwe roman in deze vorm las.’ De titel noch de naam van de auteur wordt genoemd, maar ik meen te veronderstellen, dat De gelukkige roofvogel zélf het allernieuwste boek van deze auteur, te weten Noud Bles, is en dat deze roman dus naar zichzelf verwijst. Noud Bles speelt een spelletje met de lezer, met u.. en met Willem de Vree die dus eigenlijk het hoofdpersonage is van het boek waaruit hij leest. Willem de Vree leest zijn eigen boek, zijn eigen leven. En deze keer blijft hij niet steken bij het eerste hoofdstuk; hij wordt zijn eigen adagium ontrouw en leest het boek uit. Hoe dat afloopt vertel ik u niet, maar uit wat ik nu van hem citeer, kunt u wellicht afleiden waar het laatste hoofdstuk op uitdraait. ‘Ik denk’, zegt De Vree, ‘ aan de eerste zin van het eerste hoofdstuk van het eerste boek dat ik heel lang geleden las: het geluk van de een lijkt op dat van de ander, maar ieder ongeluk heeft zijn eigen bijzondere karakter.’

Opvallend is, dat de hoofdstukkenmanie waaraan Willem de Vree lijdt, pas in het twééde hoofdstuk van De gelukkige roofvogel aan de lezer wordt gepresenteerd. Als u dus straks het boek gekocht hebt, leest u dan s.v.p. verder dan het eerste hoofdstuk, ook tot en met het laatste, dat niet voor niets ‘Laatste hoofdstuk’ heet. Houdt u zich echter aan het devies van De Vree - en dat kent u nu, - en slaat u na het eerste hoofdstuk de roman dicht, dan komt u nooit toe aan waar het in deze roman om gaat, namelijk om de wil geen boek uit te lezen, de wil zich niet geheel en al in te zetten, geen diepgaande relatie aan te gaan. Kort en goed: dit boek gaat over engagement of liever: de onwil, het onvermogen daartoe.

Dames en heren, misschien hebt u zich onder mijn toespraakje afgevraagd hoe het mogelijk is, dat ik dit alles over de nieuwe roman te berde kan brengen, terwijl ik toch pas net het allereerste, gloednieuwe exemplaar van De gelukkige roofvogel mocht ontvangen, overigens helemaal in tegenspraak met wat in de roman zelf over een gebeurtenis als deze gezegd wordt. Ik citeer Willem de Vree: ‘Het beroemde, zogenaamde eerste exemplaar krijg ik vanzelfsprekend nooit. De auteur laat dat aan zichzelf overhandigen.’
Niet alleen ontving ík in plaats van Noud Bles het eerste exemplaar, nee: ik kreeg ook nog voor elkaar wat Willem de Vree nooit is gelukt, namelijk het manuscript van een roman te bemachtigen, het manuscript van De gelukkige roofvogel. Daar heb ik in kunnen bladeren, voordat ik het daarnet in boekvorm ontving.

Noud, ik dank je voor je nieuwe roman en doe dat met de woorden die je Willem de Vree in de mond legde: ‘Nieuw, gloed- fonkel-, hagelnieuw,’ liefdevol klopte ik op de omslag van het boek.’

Ik dank u wel.

Nijmegen, 26 september 2009

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon