Toespraakje Karel de Groteprijs

Toespraakje bij de uitreiking van de Karel de Groteprijs, Stadsschouwburg Nijmegen, 30 oktober 2006

Goedenavond allemaal,

Ik las dat heel vroeger vol ontzag: ‘belediging van een ambtenaar in functie’ en dat dat voor mijn katholieke jongensziel heel zondig moest zijn, doodzondig bijna en dat je dat behalve in de biechtstoel ook nog eens met een buitenkerkelijke penetentie moest bekopen. Het was een intrigerende term: ‘ambtenaar in functie’; bestond er ook een ‘ambtenaar buiten functie’ en wat was die dan, hoe zag die eruit? En mocht je die dan wél beledigen zonder binnen- en buitenkerkelijke oefeningen van berouw?

‘Wat deed je vader vroeger?’ is een nogal geregeld terugkerende vraag. De man van mijn moeder was voor de hele wereld bakker, voor mij was hij vader. Bakken deed hij natuurlijk niet voortdurend, bijvoorbeeld als hij in het hoge kerkkoor tussen de anderen stond te zingen, dan was hij de helderste tenor van Boxtel; als hij na dat zingen de kerk uit was en het nodig achtte, zijn stem nog eens te verheffen in een dorpscafé terwijl hij op het biljart danste, dan was hij de uitgelaten charmeur. En als hij daarna halfdronken thuiskwam, was hij het slachtoffer van moeders oorvijgen. Later, dieper in de nacht, werd hij haar engel, die misschien wel in zo’n nacht zijn zoete broodje in haar schoof om het te laten rijzen tot ik kwam.

In alle gevallen bleef mijn vader mijn vader. Zelfs toen hij uitgezongen, uitgedanst, uitgeleefd was, voor mij zo dood als mijn moeder een jaar daarvóór; en dat blijft hij zolang ik leef, zij het dat hij - misschien nog méér vader dan tijdens zijn leven - alleen in mijn gedachten, anekdo-tes en gedichten over hem zijn functie nog vervult.

Toen ik nog les gaf, tussen vrouw en kinderen leefde, was ik op een doodgewone schooldag vader van altijddurende bijstand voor mijn 2 kinderen, voor mijn vrouw haar onaflatende man als hem dat uitkwam, voor mijn vrienden een verre buur, voor mijn buren een bier-drinkende ‘hé daar heb je ‘m weer’, voor mijn leerlingen hun veeleisende, soms goedgeluimde, ook wel eens barse docent. Toch was ik - op grond van mijn brood-winning, mooi woord in dit verband- voor de buiten-wacht, zeg maar de wereld, vooral docent, zelden vader, vriend, tuinman, voorlezer, minnaar, moppentapper, fantast, zaalvoetballer, dichter, pianospeler, plaatjes-draaier, praatjesmaker, of dromer, functies die je alles bijeen toch een uur of zes-zeven per etmaal uitoefende. En hoewel de mens een groot deel van zijn leven slapend op bed doorbrengt, zal toch niemand ‘slaper’ antwoorden als men hem naar zijn functie vraagt.
Nu vullen zich mijn dagen met fietsen, wandelen, liefkozen, lief kozen, reizen, veel dromen denken en soms dichten.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak

Aldus de eerste 2 regels van Slauerhoffs gedicht Woninglooze.

Ik heb dit altijd een merkwaardig vers gevonden. Als dichter wonen in je eigen gedichten?

Weinig dichters bekommeren zich nog om hun maaksels, als die eenmaal gereed zijn. Ze kijken niet vaak terug naar hun huizen, rijden er wel eens langs, kijken nog wel eens naar hun gevels, naar binnen, soms willen ze er nog aan prutsen, hier en daar wat aan verfraaien. Ze bieden ze te koop aan in tijdschriften, in een door hen samengestelde catalogus, maar er in wonen, ho maar! Na oplevering trekken er voortdurend anderen kortstondig in hun schepping. Van hen vernemen ze, of die bevalt. Soms wordt een gedicht tot monument verklaard, komt het in een mooi gebonden boek te prijken tussen andere gelukte exemplaren.

De dichter is architect en aannemer tegelijk. Hij ontwerpt en bouwt weliswaar voor eigen rekening, naar eigen inzicht, voor zichzelf, maar met het oog op andere bewoners.
Zolang het gedicht niet af is, is het een pand in aanbouw. En wie wil er zoals Slauerhoff wonen in een huis dat verre van af is, lekt, kiert? Het huis moet dicht, weet de dichter. Maar er is vaak nauwelijks een bouwplan, een concept. Soms komt er een kamertje bij, moet er een stuk weggebroken. Ja, soms begint de stichter met de fundamenten, maar al te vaak is hij al op zolder aan het rommelen, zonder dat de trap klaar is. Soms is ie aan twee, drie huizen tegelijk bezig. Het ene komt in een mum van tijd klaar, een ander staat soms maanden in de steigers, veel huizen blijven half afgebouwd of worden niet eens begonnen hoewel de grond bouwrijp was en de tekeningen in orde leken. En maar al te vaak wordt het huis een ander dan dat je in gedachten had. Niet zelden heb je het gevoel dat het gedicht zichzelf schrijft, dat jij er eigenlijk niet toe doet. Of dat je het gedicht zó voor het opschrijven hebt nadat het je midden in de nacht wakker geroepen heeft, maar als je het op wil schrijven, is het uitgewist, verdwenen. Het huis was een droomhuis maar bleek een illusie.

Omdat de dichter eigenlijk nergens woont, wel op vodjes papier huizen schetst, is hij blijvend woningzoekende, woningloze, zou je denken. Gelukkig is hij zo af en toe maar dichter en woont hij in de werkelijkheid als dichterlijk levend mens met alledaagse bezigheden. Liever: een dichterlijk levend mens die op sommige momenten dat dichterlijke vertaalt tot een vers waar ook ter wereld, te land, ter zee of in de lucht ongeacht het uur. Maar tel je dat op, dan ben je per etmaal uiteindelijk slechts kort dichter; de rest van de tijd ben je met andere zaken bezig die minstens even belangrijk zo niet belangrijker zijn. Althans voor déze dichter die buiten zijn gedichten een gewoon, tamelijk gelukkig mens is soms, een minder gelukkig ook soms zoals veel mensen. Maar om al dat dichterlijke tot een beroep te verheffen, gaat me ver. Het gaat me niet om het dichterschap maar om dichterlijk leven. Ik heb het mijn leerlingen proberen over te brengen. Ik brak de schooldag met ze in tweeën door met ze het nabijgelegen Goffertpark in te sluipen om er het uitbotten van een dichterlijke natuur te bevorderen.

Er zijn mensen die zich voortdurend schrijver, directeur, wethouder of weetikwat wanen, altijd als zodanig in functie schijnen, en voor het overige er weinig toe willen doen: een schrijver van alles, daarbuiten niks, belediging voor een mens in functie. En omgekeerd, en daar geef ik de voorkeur aan, zoals ik altijd het leven boven de werkelijkheid van een boek, een gedicht gesteld heb: een mens van alles boven een dichter van niks.
Een ambtenaar gaat met pensioen, dan is ie tot aan zijn overlijden: ambtenaar buiten functie, ambtenaar af, maar wat dan nog wel? Dichterlijk leven is aldoor als zodanig leven, dichterlijk leven ten einde toe. Een dichterlijk mens blijft onophoudelijk in functie.

Sinds 1 september ben ik de stadsdichter van Nijmegen. Twee jaar lang zal ik in dienst schrijven; nou ja, op sommige momenten zal ik gebogen zitten over een vers dat iets van doen heeft met het Nijmeegse. Vanavond heeft u een dubbele primeur. Samen met Andrea Stultiens ging ik terug naar een Nijmeegse dag in de Tweede Wereldoorlog; het resultaat krijgt u als gemeentelijk presentje mee. Voorts verschijnt vandaag mijn gedicht Dodemont, ode aan de anonieme strijder, zeg maar: de mens in zijn struggle for life tegen een Nijmeegse achtergrond, prachtig van commentaar voorzien door graficus Wim Zurné en in het Engels vertaald door John Irons. En alsof het allemaal niet op kan, ligt het nieuwe nummer van de onvolprezen Poëziekrant uit Gent op u te wachten met mij op de cover en binnenin een indringend interview en mijn nieuwste gedichten. U vindt het straks allemaal wel in de wandelgangen. Eventueel negatieve reacties op mijn gedichten zal ik niet opvatten als ‘beledigingen van een semi-ambtenaar in functie’.
Vandaag is het tegendeel aan de orde. Vandaag krijg ik van de gemeente waarbij ik in dienst ben, de mooiste prijs die zij in petto heeft. En dat vind ik een buitengewone eer.

Daarom dank ik de Adviescommissie die mij de Karel de Groteprijs toedichtte, in de Burgemeester, Mevrouw Ter Horst en Mevrouw Kunst het College dat dit voorstel bekrachtigde; de verantwoordelijke ambtenaar, de heer Frank Eliëns, de ceremoniemeester van vanavond. Ik dank de uitgevers van mijn werk, zonder wie mijn gedichten niet kunnen leven, ik dank al degenen die mij in mijn dichterlijk leven hebben gevolgd, gesteund, begrepen, gekritiseerd en geïnspireerd; ik dank in het bijzonder degenen die mij daarin dierbaar waren en zijn: mijn ouders zaliger nagedachtenis, mijn kinderen, hun moeder, mijn zusje en haar gezin, mijn geliefdes, vrienden en Ria, geliefde én kritische vriendin.

Ik vrees, dat ik niet iedereen lang te woord kan staan dadelijk, daarom nu alvast een verre hartelijke, lieve groet die dichtbij bedoeld is.

Walter van de Laar/
Victor Vroomkoning

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon