Wat afwezig blijft

afwezig

Bert Kooijman, Gedichten 1957-2007, 2008 (met Inleiding van Victor Vroomkoning: Een lege plek)

Een lege plek

Victor Vroomkoning

We studeerden Nederlands M.O.- A in Tilburg, begin jaren’60. We, dat was een flink aantal jongemannen en - vrouwen, ook wat losgelaten zwarte nonnen die onder de melkbleke blikken en ijskoude stem van P.C.Paarde-kooper leken te verstijven. Tussen ons in een wat oudere student, maar niet de eerste de beste want hij dichtte. Ik was vol ontzag voor Ben Marée, de dichter wiens debuutbundel ik onder ogen had gekregen. Koningin zwart van woede (1961) bevatte buitengewoon ernstige, pregnante, titelloze gedichten: ‘Vrouw mooier om te vergaan, nu zij ritselt, / haar donkere boog spant van drift en zegt:/ maak mij jong, de witte mieren / in mijn botten wakker.’ Het ging over een vrouw, erotiek misschien, over iets dat er niet meer was, smeulende resten die narookten. Ik vond dat mooi, intrigerend, er ritselde iets in mijn lijf als ik het las, maar wát ontging me.
In zijn volgende bundel, Rode gedichten, 12 jaar na zijn debuut, heet de dichter Bert Kooij-man, al kende ik hem als Ben; en tot op de dag van vandaag schreef hij een bewonderens- waardig aantal bundels onder die, zijn eigen naam. En altijd weer in het idioom dat van het begin af aan zo onvervreemdbaar van hem is, waarmee hij mij vanaf zijn debuut verbaasde, ontregelde, soms verblufte in verontrustende, ontoegankelijke, ongenaakbare verzen.

Soms begreep ik wat hij wilde zoals met:’Eenmaal toch trek je/ mijn ledematen binnen,/ zo volkomen van vlees dat / je volledig eetbaar bent.’, maar de kwintessens van veel gedichten ontging me meestal. Ik had hem om uitleg kunnen vragen, maar dat is nu iets wat je achterwege laat. Een gedicht is immers een Ding an Sich, moet zichzelf uitleggen, prijsgeven. Een dichter kan zich bovendien vergissen in wat hij zelf heeft opgeschreven; of hij heeft iets op willen schrijven wat er niet staat. Als je het hem toch vraagt, gaat hij parafraseren en dan is het gedicht niet meer wat het is, maar een stuk proza. Je weet uit eigen ervaring dat de dichter zijn vers het best verklaart door het op te lezen en daarna te zwijgen; een gedicht verklaart zichzelf, gaat open of blijft dicht. Die punten indachtig en omdat Kooijmans verzen voor mij op een kier bleven staan, besloot ik me op eigen houtje te verdiepen in het soort poëzie dat hij schreef.

Zijn bijna abstracte verzen zijn opgetrokken uit zogenaamd ‘hermetische’ taal die de toegang tot de oningewijde afsluit. Het woord ‘hermetisch’ is afgeleid van de naam Hermes Trismegístos, sinds de eerste eeuw na Chr. de Griekse naam voor de Egyptische maangod Thot, en gefingeerd auteur van een aantal populair-wijsgerige en astrologische geschriften, die lang invloed uitoefenden op mystiek en theosofie. De geheime leer van het hermetisme behelst een esoterische inwijding in het ware wezen van de wereld en de in haar verborgen werkzame krachten. Wegens dat geheime karakter ge-bruikt men het begrip ‘hermetische’ poëzie in de beteke-nis van ‘ontoegankelijk’ of ‘ondoordringbaar, duister’.
De werkelijkheid zoals wij die ervaren, bestaat nauwelijks voor de hermetische dichter. De dichter ontwerpt zijn eigen werkelijkheid in het gedicht, een werkelijkheid die zelden verwijst naar de werkelijkheid buiten het gedicht, een werkelijkheid die als zinloos en leeg ervaren wordt. In een omzichtig, zeer persoonlijk spreken (eigenlijk zou je kunnen zeggen, in een zeer persoonlijk zwijgen) dat bewust duister is, spreekt de dichter zich uit. Samengevat: het hermetisch gedicht van Kooijman is een alleen voor ingewijden toegankelijk taalbouwsel, dat niet meer de werkelijkheid, ónze werkelijkheid weerspiegelt, maar een táálwerkelijkheid. Het is een persoonlijk uit symbolen bestaand hiëroglyfensysteem. De ontvanger, de lezer, moet het trachten te ontcijferen. En daartoe heb je een sleutel, soms een hele bos sleutels nodig.

Het gedicht is met de dichter zelf op zoek naar een nog onbekende, uit de taal los te weken werkelijkheid, overeenkomstig de bijbelse woorden: in den beginne was het woord dwz. dat iets eerst bestaat als het woord geworden is. En tegelijkertijd met de zoektocht naar de werkelijkheid is het een zoektocht naar (de) waarheid. De filosoof Heidegger spreekt in dit verband van een ‘Lichtung des Seins’, als de lichtende plek waar de waarheid huist. De berucht hermetische dichter Paul Celan spreekt van een open plek. Het gedicht is de open plek zelf waar waarheid aan het licht komt. Tot zover deze uiteenzettende zijsprong.

Behoorde ik, bevracht met al die theorie, nu tot de kleine groep ingewijden? Ik bedoel: had ik nu de sleutel tot Kooijmans poëzie in handen? De praktijk viel tegen; de gebruiksaanwijzing was dan wel in orde, maar de praxis, de ervaring, ontbeerde ik kennelijk. Mijn op de anekdote gerichte, ironisch-realistisch dichterschap stond kennelijk het juiste begrip voor Kooijmans
diepzinnige maar cryptische taalwereld in de weg. Maar ik bleef mijn best doen.

In 1998 verscheen Gedichten 1957 - 1997, een terugblik op 40 jaar dichterschap, een keuze uit 11 bundels. Kooijman selecteerde, althans in mijn visie, de minst hermetische gedichten, alsof hijzelf ook toegankelijker was geworden of misschien wel wilde zijn. Hij maakte de rekening voor zichzelf op: ‘Meer dan veertig jaren / spannen hun snaren / over de klankkast / van mijn alfabet.’, schreef hij. En: ‘Dit moet ik schrijven: / ik spreek als ik zwijg. (..) Dit moet ik zeggen: / ik zwijg als ik spreek.’
Vanaf zijn debuut - dat wordt in deze overzichtsbundel transparant - gaat het bij Kooijman om een dode gelief-de, een geliefde dode, om de ontginning van een je, de toegesprokene, de afwezige, tegelijk om de ontginning van de taal, van taal, om iemand die bewaard moet in de poëzie. Ik citeer: ‘Zoals je was, toen je bleef, zoals je / blijft, nu je hier aanwezig bent, het / is tussen ons als taal: verleden tijd / die bestrijdt wat aanwezig schijnt.’

De dichter is op zoek naar een plek op de grens van spreken en zwijgen, zijn en niet-zijn. Kooijman zoekt tijdens die zoektocht de grenzen op van het aanwezige, verstaanbare, de grens van het Niets van Heidegger, van het Zijn zonder meer. Uit een paar motto’s, citaten van dichters met wie Kooijman zich ongetwijfeld verwant voelt, zou je dat af kunnen leiden; het is overigens de enige handreiking die Kooijman doet, de rest moet de lezer zelf uitzoeken; wie bijvoorbeeld de je is.
Neem deze zin:‘Om te verschijnen, om zichtbaar te zijn/ in dit grijze morgenlicht, blad voor/ blad voor blad, heb ik je opgericht’. Je denkt meteen aan de poëzie van Gerrit Achterberg, ook niet wars van hermetisch jargon, en vervolgens: is Kooijman, als Achterberg, op zoek naar een mystieke vereniging? De je is de grote afwezige, maar in de taal, in de bedding van het vers, komt ze weer tot leven. Bijna wordt het woord vlees.
Hoe dan ook: de wereld van Kooijman is er een van taal, niets meer en niets minder. Met de buitenwereld, de werkelijkheid buiten het gedicht, heeft hij hooguit een negatieve relatie.
Men vindt in zijn gedichten nauwelijks concrete aangrij-pingspunten; er is geen decor; hij zit opgesloten in zijn gedicht en het gedicht in hem. Het is een dichten op leven en dood, spreken en zwijgen, het zijn en niet-zijn; het is een dichten naar de open plek waar hij kan blijven, of een ander, een geliefde vrouw, of mét haar samen?

De dode je, de dode geliefde, is een gat in de tijd; de dichter moet erover dichten, moet het gat dichten, wat niet wil zeggen, dat het lukt: ‘Ik ga onder je dood gebukt / en sla hem in mijn adem op./ Woord voor woord vermoord ik/ om je zichtbaar te maken./(..) Maar ik moet je dood verslaan / of mijn taal het wil of niet’. ‘Verslaan’ is hier dubbelzinnig: verslag doen van haar dood, en haar dood overmeesteren, misschien wel in de zin die Achterberg eraan gaf: tegen de dood in dichten, de dood even overwinnen en weer contact krijgen met de geliefde: ‘Omdat ik je niet meer vind / in ademnood, in hik of snik / tracht ik je op te sluiten /achter deze getraliede taal./ Je lichaam zonder verleden en / gesloten als een steen kan ik / wel strelen maar mijn adem is/ niet in staat je te bewegen.’
Kooijman móet schrijven, voor hem is er geen andere weg dan te dichten over Eros en Thanatos, de Liefde en de Dood, de Liefde ín de Dood, al weet hij dat al zijn pogen de geliefde tot leven te wekken, tot mislukken gedoemd is. De poëzie is zijn lot, tegelijk zijn bron. Hij is ertoe veroordeeld. Ik stel me voor, dat de dichter zelf nauwelijks weet wat hem dicteert, wat hem overkomt tijdens het dichtproces; hij is het instrument in dienst van de taal die hem wordt ingefluisterd.

Ik vroeg me wel af, waarom Kooijman ze telkens liet zien, zijn bijna heilige bedevaarts-plaatsen die zijn verzen voor mij waren geworden, die hermetische diamanten van hem, want ze leken me toch vooral voor hem persoonlijk te flonkeren.

En dan verschijnt Grafgift (1999). Op 67-jarige leeftijd kijkt Kooijman terug op een moeder van wie hij het leven moet reconstrueren, omdat zij hem al op zijn tweede jaar ontviel: ‘Je lichaam zonder verleden’ uit een vorige bundel wordt nu duidelijk: zijn moeder heeft voor hem geen verleden, hij moet het doen met foto’s en herinneringen van anderen. Het zijn 37 gedichten, evenveel als de jaren dat zijn moeder leefde, de moederfiguur die tegelijkertijd de moeder-geliefde is. De dichter bleef het eeuwige kind dat de afwezigheid van de moeder als litteken ervaart.
Maar pas op! Het blijft natuurlijk een moeder van taal, evenals de ik niet een levende ik, bijvoorbeeld Kooijman, is; bevreesd als ikzelf altijd voor ben geweest, verband te leggen tussen het leven van een schrijver en diens product, zeker bij een hermetisch dichter als Kooijman, wil ik slechts duiden op een biografisch feit als mogelijke grond voor een poëtisch oeuvre, meer niet. Het blijven vérspersonages, daarbuiten bestaan ze niet.

Voor mij is Grafgift Kooijmans centrale bundel, de bundel waarin hij het toegankelijkst is in taal, tegelijkertijd het vrijmoedigst in zijn mededeelzaamheid, in beide opzichten anekdotischer, transparanter dan in welke van zijn bundels ook. De jij, de je, de geliefde dode, de dode geliefde, de afwezige in al zijn verzen, breng ik hiermee terug tot de moeder, de moeder- figuur, misschien zijn eigen, vreemd gebleven, bijna abstracte moeder. De moeder is het gat in de tijd, dat de dichter hooguit met taal kan vullen, met poëzie. ’(..) ik blijf woelen in de warme/ as van je lichtende aanwezigheid’. Omdat ze er niet meer is, blijft ze de lichtende aanwezige, intrigerende paradox. Kooijmans poëzie is de plek waarin de moeder kan blijven, waar ze lichtend aanwezig kan zijn. Ik citeer de dichter Rutger Kopland: ‘Ga nu maar liggen liefste in de tuin, / de lege plekken in het hoge gras, ik heb / altijd gewild dat ik dat was, een lege / plek voor iemand, om te blijven’ ( ‘XIV ‘ uit: Een lege plek om te blijven). Koplands lege plek is Heideggers lichtende plek waar de waarheid oplicht, is Paul Celans open plek: de poëzie.
Ik citeer nogmaals Kopland: ‘Het dwaalt, vloeit samen, valt uiteen, verdwijnt,/ en het herhaalt zich, alsof er steeds weer iets / moet worden gezocht, gevonden, verloren, gezocht, / alsof er steeds weer iets moet, iets moet zijn / voor het verdwijnt en daarna’ (‘Die kunst der Fuge’ uit: Voor het verdwijnt en daarna)

Kooijmans poëzie is de lege plek om er zijn moeder, de moeder, in te leggen. Het gedicht, de lege plek, is de moeder en andersom. Moeder, 6 letters, evenveel als die van poëzie. Door de hereniging met de moeder, die in en door het vers plaatsvindt, treedt de identificatie op van vrouw en gedicht; het gedicht is doel én middel van de hereniging; een vers schrijven is een vrouw dichten, de moeder dichten bij Kooijman, létterlijk: terug naar en in de moederschoot, tussen het Niets en het Zijn, tussen het zijn en het niet-zijn in. Zijn moeder is de lege bladzijde die hij moet trachten te vullen met zijn taal, wil zij (de moeder, de poëzie) kunnen overleven.
‘Dit wil ik je nog schrijven ‘, dicht Kooijman ‘ over de rand heen van je bed: / dat ik de taal van jouw leven / tot een verhaal wil weven / (..) En dat, (..) mijn mond jou eens / uit de klauwen van de dood / bevrijdt.’ Kooijman als Orpheus die zijn Euridice wil bevrijden uit het Schimmenrijk, dat het leven op aarde is. Maar zoals Orpheus faalde, weet ook de dichter dat het hem niet lukken zal: ‘Besef ik wie je was, / die armen om mij sloeg, / bloemen boende op / mijn huid, adem blies /op de ruit van je kind, / dag in, dag uit? (..) Kon ik jou maar / uit de doeken doen. / Maar ik sta hier nu / te kijk, vul met lege/ handen je afwezigheid.’ Achterberg in een nieuwe jas, kun je zeggen. In een eigen, ook streng jargon doet Kooijman verslag van een tot mislukken gedoemde onderneming: ‘(..) Mijn woorden/ kunnen niet meer klinken/ tot je begin (..) Wakker blijf ik/ in mijn bed van taal,/ waarvan ik eens de lakens/ met jou deelde. Maar geen letter/ uit je leegte die ik/ daar nog hoor!’
En: ‘Vanavond sluit ik je op/ in taal, zet daarin je bed, / leg je kleren klaar en breek/geduldig voor je komst/ het woord genade./ Ik meet je ledematen/ op tafel in woorden uit:/ hand, arm, vinger, been/ en zoveel tenen met daarover / huid. Daarmee voeg ik je bijeen.’

De moeder, de vrouw als getransformeerde, poëtische realiteit, ook de geïdealiseerde, schuldloze madonna. Door de geliefde, Das Ewig Weibliche, heen wordt de volle werkelijkheid van het zijnde zichtbaar, de diepte ervan, de eenvoud van het oorspronkelijke,
de existentiële leegte geconcretiseerd in een afwezige vrouwelijke verschijning.
Kooijmans menselijk bestaan is gebroken sinds de geboorte; de poëzie, die het dichtst de oorspronkelijke taal benadert, moet die gebrokenheid helen. De dichter verlangt naar de paradijselijke onschuld, onzondig leven, de haast embryonale geborgen beleefde eenheid, terug naar de moederschoot, tussen het zijn en het niet-zijn in.
In de metafysisch ingestelde verlossingslyriek, waartoe ik die van Kooijman reken, wordt de poging de Vrouw als incarnatie van de Liefde in het gedicht te vangen, gelijk aan de poging het volmaakte gedicht te schrijven, het goddelijke te grijpen. Zo worden vrouw, gedicht en God op één lijn gesteld. Het woord van de dichter is het eerste en laatste Woord.
De toegesproken je is zowel de moeder als de geliefde van de ik, als ook het door hem nagestreefde einddoel van zijn ethische, religieuze, mystieke of poëtische verlangen in een toestand van absoluut geluk, door eenwording met of schepping van zijn ideale evenbeeld, van God of van het volmaakte vers.

Ik vind Grafgift Kooijmans mooiste bundel, indrukwekkend eresaluut aan de geliefde moeder, de geliefde zonder meer, de poëzie ook. Eindelijk een doorzichtige bundel, een bundel die mij ook de sleutel gaf tot Kooijmans gehele oeuvre, al zal ik dat nooit helemaal kunnen vatten.
Maskerade, dat in 2002 verscheen, in zijn lay-out sterk gelijkend op zijn debuutbundel, is een kleine echo van Grafgift. Het is weer dichten op leven en dood, vers na vers: ‘Hoe ik je uit moet vinden,/omdat je afwezig blijft./ Hoe de letters van je naam / zich ontkleden voor mijn ogen./ Hoe ik je vormen hier tracht in /te vullen met denkbeeldig vlees./ Hoe zij dan vals tot stof vergaan / of ongemeten in de rij gaan staan, / samen met gebaren, ontroostbaar / haast in hun vergankelijkheid’. En: ‘Wat van je leven overbleef:/ een foto, niet meer te dateren, /een glimlach, je kleren / in zwart bevroren’.

Al zijn bundels blijken moederalbums, poesiealbums van een dichterlijk kind. Poëziealbums die niet door anderen maar door hemzelf zijn volgeschreven, albums die nogal eens in eigen beheer, bijna bibliofiel, zijn uitgegeven, in kleine oplages want Kooijmans bundels zijn kleinoden, voor een klein publiek bedoeld, hij wil er eigenlijk geen afstand van doen.
Temeer, omdat hij vreest dat zijn poëzie in ‘verkeerde’ handen terecht komt, in die van de oppervlakkige, terloopse lezer. De titel waaronder zijn laatste verzen zijn neergelegd, Geheim onthaal, geeft dat ondubbelzinnig aan: Kooijman laat je wel binnen maar alleen als je de toegang tot zijn poëtica kent, als je de sleutel ertoe in je bezit hebt; hij wenst ‘geen dovemans oor,/ geen oog van een blinde’ tussen zijn publiek.

Zoals gezegd is, reikt Kooijman je hier en daar een motto, een naam, aan waarmee hij je op weg helpt, zijn poëzie te begrijpen, bijvoorbeeld in Figuurlijk (2005). De bundel zet in met een motto van de Italiaanse dichter Eugenio Montale: ‘Genade voor wie niet weet dat het niets en het alles twee sluiers zijn van het Onuitspreekbare, genade voor wie het weet, voor wie het zegt, voor wie het niet weet en rondtast in het duister der woorden!’
In Kooijmans woorden, ik citeer uit de bundel:
‘Het was er en het was /er niet: de schim schoonheid / de loden last der jaren / en jij: vergeet mij niet. / Hij was er en hij is / er niet: met woede / tussen zijn tanden en wanhoop / in zijn eenzame handen./ Zij is er en zij was /er niet: met haar dure / streken en het betwiste/ bloed in haar dagen. / Het is er en het is / er niet: de jacht op de wolk / van de begeerte en jij: / ik vergeet je niet.’
In het dichterschap van Il grande poeta, zoals Nobelprijswinnaar Montale (1896-1981) werd genoemd, weerspiegelt zich dat van Kooijman, dat zich tot op heden in de luwte heeft afgespeeld. De wereld der dingen heeft voor hem een dubbele functie: enerzijds is zij een spiegel waardoor iets van een andere, onbekende, raadselachtige, werkelijkheid wordt weerkaatst, anderzijds vormt zij een obstakel waardoor hij onmogelijk dieper in de essentie van het bestaan door kan dringen.
Kooijman is als Montale een metafysisch tegelijk existentialistisch dichter; hij zoekt naar een waarheid (niet naar een God) die achter de fysische wereld ligt, hoewel hij weet dat hij niet zal vinden wat hij zoekt, doordat er altijd iets zal zijn dat bij die zoektocht naar waarheid in de weg staat. Montale noemt dit zoeken als ‘een lopen langs een muur met spitse stukken glas erbovenop’.
‘De dichter kan op één herinnering een hele wereld bouwen, hij kan haar organiseren en in overeenstemming brengen met een hem eigen levenswijze.’ aldus Montale. Bedoelt hij de herinnering aan een dode geliefde?, want evenals Kooijman heeft hij gedichten opgedragen aan een afwezige vrouwelijke gestalte. Die gedichten zijn, zoals in Kooijmans bundels, eigenlijk dialogen met de afwezige vrouw.
Evenals Montales poëzie is die van Kooijman in feite illusieloos: zij gaat uit van de onmacht van de menselijke geest, de zinloosheid van het bestaan, de existentiële eenzaamheid van de mens. De dichter leeft in de wereld van het innerlijk, in een isolement, in het isolement van zijn verzen, het enige domein waarin hij zich teweer kan stellen. Afwezigheid, de afwezige, hét afwezige, verlies en vervreemding staan centraal: ‘achter mijn rug de kale/ leegte van ’t niets, beneveling met de angst eronder’, schrijft Montale maar het zou ook door Kooijman geschreven kunnen zijn. Hoewel de mogelijkheid tot ontsnapping uit ruimte en tijd voortdurend wordt geopend, blijft de dichter de gevangene van de hem bedreigende werkelijkheid.
Een zekere stoïcijnse berusting, een aanvaarden van het bestaan zoals het is, spreekt uit Kooijmans verzen; fatalisme dus, pessimisme zo men wil, maar een zacht pessimisme, soms verlicht door een sprankje hoop en verwachting, toch nog een splinter van de waarheid te ontdekken. Het gaat in zijn poëzie om de condition humaine, om het essentiële van mens-zijn, niet om het contingente. Vanuit een eigen, particuliere houding tegenover het leven, zegt zijn poëzie iets over menselijk leven in het algemeen, al is dat vaak niet in overeenstemming met dat van hem.
‘Daar ik vanaf mijn geboorte een complete disharmonie gevoelde ten aanzien van de realiteit om me heen, kon het niet anders of diezelfde disharmonie leverde ook het materiaal voor mijn inspiratie’ schrijft Montale, en is zo van toepassing op het dichterschap van Kooijman. ‘Het is evident’, zegt Montale,’ dat alle poëzie haar oorsprong vindt in een individuele crisis waar de dichter zich niet eens bewust van hoeft te zijn. Maar liever dan van een crisis zou ik spreken van een onvoldaanheid, een inner-lijke leegte die, wanneer het zich uitpreken wil lukken, tijdelijk vervuld raakt.’ Een lege plek om te blijven.

Geraadpleegde literatuur:

- Frans van Dooren, ‘De poëzie van Eugenio Montale. Van metafysische symboliek tot maatschappelijke skepsis’. In: De Revisor, 1983, nr. 5, pp. 59-63
- Eugenio Montale, ‘In deze tijd’, vertaling Michel Bartosik. In: De Revisor, 1983, nr.5, pp. 71-83
- Paul Celan, Gedichten. Keuze uit zijn poëzie met commentaren door Paul Sars en vertalingen door Frans Roumen, Ambo Tweetalige Editie, Baarn 1988
- Rutger Kopland, Gedichten 1966-1999, Van Oorschot, Amsterdam 2000
- Chrisjan Bremmers, Overgankelijkheid. Heideggers ontwerp van een fundamentele ontologie en de kwestie van de ethiek, Damon, Budel 2000
- Albert Bontridder e.a., ‘Wat afwezig blijft. Benaderingen van de poëzie van Bert Kooijman’. In: Kruispunt nr.189, juni 2002
- Eugenio Montale, Eindig. Late gedichten, vertaald en ingeleid door Eva Gerlach, De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen 2002

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon