As en diamant

Front -as-en-diamant

Ik las een inleiding tijdens de presentatie van ‘As en diamant’ van Leo Mesman en vormgever Walter Kerkhofs in Café Weemoed te Tilburg op 11 november 2018.

Beste aanwezigen, vrienden van de poëzie en/of van Leo Mesman,

De dichter die we vanmiddag vieren, zendt mij enige weken geleden het manuscript van de bundel toe die nu voor ons klaar ligt;  met een begeleidend visitekaartje. Welke dichter heeft een visitekaartje? Ja, toen ik stadsdichter van Nijmegen was, semi-ambtenaar, stond ik op de loonlijst en inderdaad had ik een visitekaartje met het wapen van Nijmegen erop met onder mijn naam de vermelding: stadsdichter. Maar bij Mesman is dat minder nadrukkelijk, het kaartje blijkt enkel een uitnodiging tot lezen. Het stelt drie vragen : Op zoek naar… gevarieerde gedichten? vrolijk makende versjes? verrassende vertelsels? Zo, denk ik, dat klinkt pretentieus en onnadrukkelijk tegelijk, niet verzen maar versjes, niet vertellingen maar vertelsels, alsof de desbetreffende dichter zich wel wil aanprijzen maar je meteen laat weten dat het allemaal niet zo groots en meeslepend zal zijn wat je te lezen krijgt. Is dat ironie, zelfspot, valse bescheidenheid? Ik begrijp dat je bij een bevestigend antwoord op de drie vragen de website www.leomesmangedichten kunt opzoeken. En als je dat doet, krijg je onderaan het kaartje een dankjewel; er staat: uw aandacht, mijn beloning. Hé, denk ik, daar heb je het weer: enerzijds een visitekaartje, anderzijds een schroomvallig dank je wel.. Ik wil er meer van weten, en klik de site in mijn ogen, kom al snel tot de ontdekking dat Leo Mesman zich afficheert als autonoom dichter, zelfs voorzitter is van Taalpodium, een vereniging van autonome schrijvers en dichters in Midden- Nederland. Hallo, denk ik, autonome schrijvers, dat had Leo mij wel kunnen melden, want dames en heren, dat zijn niet de gemakkelijkst leesbare dichters; ze schrijven autonome verzen, dwz gedichten die genoeg hebben aan zichzelf, los van stad en wereld,  dichterlijke cryptogrammen, hermetische verzen, in tegenstelling tot de min of meer anekdotische poëzie zoals ik die schrijf, die uitgaat van de werkelijkheid  Waarom heeft hij mij dan gevraagd voor deze presentatie?
Maar als ik even verder klik ontdek ik gedichten van deze vereniging die wel heel ver afstaan van autonome, talige verzen. Het zijn zeer toegankelijke, meteen te consumeren gedichten. Ik heb niet goed gekeken: ‘autonome’ staat tussen aanhalingstekens.
En verderop begrijp ik, dat Taalpodium, de club van Mesman, een kweekvijver is van beginnend of gevorderd literair talent en zich onderscheidt van die schrijvers die bij erkende uitgevers publiceren. Gelukkig, ik heb niet te maken met een hermetisch dichter want met zijn werk zou ik te weinig affiniteit gehad hebben om daar iets zinnigs over te zeggen vanmiddag. Maar wat houdt dat autonome dan wel in? Is niet élke dichter autonoom, een zeer kleine aan één A-4tje genoeg hebbende zelfstandige? Ik moet er niet aan denken dat iemand mijn schrijfhand vasthoudt, zinnen in mijn oor fluistert, beelden in me prent. Ik houd het erop dat het Taalpodium van Mesman een springplank is voor dichters die voornamelijk in eigen beheer uitgeven, dus autonoom zelfstandig hun werk aan de man brengen zonder tussenkomst van anderen. Het grote nadeel hiervan is, dat dit werk, bijvoorbeeld een bundel, niet aan een kritisch oog voorbij ging, niet getoetst is en slechts zelden besproken wordt; het grote voordeel is, dat een dichter zich in eigen beheer alles kan permitteren, naar vorm en inhoud, hij is zijn eigen redacteur, uitgever en criticus tegelijk. En al u de bundel van Mesman straks onder ogen krijgt, dan kunt u zich in ieder geval verlustigen aan de boeiende vormgeving van Walter Kerkhofs en zijn companen; die slag heeft Mesman al binnen. Nu nog zijn werk.
Goed, laten we dus bezien of het wel waar is dat Leo Mesman met zijn nieuwe bundel ‘gevarieerde gedichten, vrolijk makende versjes en verrassende vertelsels’ heeft afgeleverd.
brillenglazen en in een stille context bijvoorbeeld in een Stiltecoupé van de NS: niet spreken.

Hoe lees je een bundel? Langzaam, onbevooroordeeld, alert , in mijn geval met schone
In een tijdsbestek van Nijmegen naar Castricum op en neer lukte me een eerste en tweede indruk. Ik maakte aantekeningen: er zijn inderdaad gedichten en versjes geboekstaafd, vertelsels in de zin van prozateksten zijn er niet bij; het is dus ál poëzie wat ik zie: van tweeregelige, drieregelige, vierregelige strofen tot en met een sonnet, dus klassiek tot vrije schemaloze strofenbouw.
Van strak metrisch (vooral jambisch) naar vrijblijvend ritme, van ordentelijk eindrijm naar eindrijmloosheid. Van limerick naar light verse naar niet meer dan een grap. De dichter doet wat hij wil, past de vorm aan de inhoud aan of omgekeerd, enjambementen zijn er evengoed wel als niet. Zoek geen regelmatigheid, niet naar vorm niet naar inhoud, de dichter is van alle markten thuis, Mesman is eclecticus, hij slaat niet op één aambeeld. Hij pakt van alles  wat hem goeddunkt, hoewel wel van zekere thema’s sprake is, waarover straks meer. Hij lijkt me niet veeleisend van zichzelf, ook niet van het gedicht, op twee uitzonderingen na: hij begint elke regel met een kapitaal, wat klassiek genoemd mag worden, maar eindigt die zonder punt, wat tamelijk ongebruikelijk is, sterker nog:  zijn verzen kennen geen interpunctie; dat maakt het voor de lezer niet altijd gemakkelijk maar heeft het voordeel dat je alle kanten uit kunt, omdat de dichter je niet stuurt, niet helpt, beetje autonoom vers is het dan geworden. Alles mag/kan, typisch postmodern dus,  maar een gedicht van meer dan één pagina is een uitzondering, integendeel: hij schrijft overwegend korte verzen.
Wat de thematiek betreft: de dichter wil niet dood, was het eerste wat ik opmerkte, houdt van het leven hoewel dat leven niet altijd mee wil werken, heeft hij nogal eens tegenwind, zoals hij schrijft; hij omhelst de herenliefde, de erotiek, heeft oog voor flora en fauna die hij niet zelden als metaforen  gebruikt: koeien, mussen, een kip, vliegen, een vogeltje, een haas, meeuwen, ganzen,  merels, zwanen, tortels, vis, een reiger, een es, bomen, tulpen, linden, bloemen, bladeren, bloesem, wilgenroosje, tuin, helmgras. Het kan niet op. De dichter heeft soms een boodschap, een kleine, laat de mensenwereld binnen, nou ja, de mannenwereld , want in de bundel komt weinig vrouwelijks aan bod: Ierse schonen, een man in een baljurk, de moeder,  gazelle ogen, en tante Jo, die van poetsen hield, wel dood. De dichter is een nuchtere waarnemer die goed kijkt, registreert. Zijn verzen gaan over de dingen des levens, de  condition humaine, over de ondraaglijke lichtheid van het bestaan, liever bij hem: over de draaglijke zwaarte ervan. Wie ben ik, wie zijn wij?  Enkele gedichten gaan over de keerzijde van het leven, de dood, over neergang, verlies, de herfst eerder dan de lente maar: het is allemaal te hebben. ‘Stofjes zijn we in het heelal/Dus waarom niet vrolijk dwarrelen?’ dicht Mesman.

Toen ik in Nijmegen uitstapte, dacht ik hem wel beetje te kennen: een man op leeftijd die dicht over wat vóór hem, wat achter hem ligt, wat de dag hem brengt, niet chronisch melancholisch, wel met vlagen weemoed, soms wijsgerig, soms het tegendeel tot het flauwe af. Deze dichter wil of kan evenals ik, niet zingen; hij is een episch, dus verhalend dichter, vertrekkend vanuit de anekdote, daar soms genoeg aan hebbend en soms uitwaaierend naar universeler wijdte. Daar heb je misschien de vertelsels van zijn visitekaartje. Zijn zegging is doorgaans sober, ingehouden drama, onsentimenteel, op het droge af, geen woord te veel, eerder te weinig, laconiek ook soms. Hij houdt niet van grote woorden, hij schrijft veelal parlando,  verstaanbare, toegankelijke  poëzie, bijna pretentieloos. Dichteres Hannie Michaelis noemt dit soort werk ‘kleinspraak’, het tegendeel van grootspraak. En ja, Mesman is nogal eens ironisch, een fijne vorm van humor, want dan blijf jezelf buiten schot, ben je buitenstaander in je eigen gedicht.
De beeldspraak is navenant : het oxymoron bijv. ‘glorierijk verval ‘, en het understatement, waardoor je alles klein maakt en dichtbij, relativeert, hanteert de dichter vlot. Hij is wel badinerend maar onder die oppervlakte sluimert best wel een opvatting, een mening, zonder dat dit een oproep, een bedoeling heeft. En zo hoort dat, een dichter is geen predikant al heeft Mesman theologie gestudeerd.
Over theologie gesproken. Op de een of andere manier doet de poëzie van Mesman hier en daar denken aan die van een paar poëten uit de negentiende eeuw. In die eeuw, zwaar van ernst   -   de verantwoordelijken worstelden met diepzinnige vraagstukken  -  keerden sommigen zich van deze wereldvisie af. De een door zich bij een graf op te houden om daar romantisch te verblijven bij het verleden, de ander door de werkelijkheid op een andere manier te ontgaan namelijk door middel van de humor, die immers afstand schept tussen ideaal en realiteit. In de Camera Obscura kwam de humor tot volle bloei in, en in de poëzie was dat het geval met de dichters De Schoolmeester en Piet Paaltjens die het leven tussen schijn en werkelijkheid tussen droom en daad lieten zien, die ieder op zijn eigen wijze humor in het gedicht bracht, vooral parodie, ironie, en zelfspot. Zij hadden nogal wat samen; ze waren beiden pseudoniemen van hun geestelijke vaders die theologie gestudeerd hadden, in Leiden. Van beiden heeft theoloog Mesman wat, althans dat ervaar ik zo, al heeft hij gelukkig weinig van François Haverschmidt de zwaarmoedige predikant die Paaltjens schiep om in leven te kunnen blijven maar toch nog zelfmoord pleegde. Om dat laatste vergelijk ik hem niet met Mesman,  die ook geen nom de plume voert en tien jaar ouder is dan Haverschmidt ooit werd. Ik zei het al: beiden hebben theologie gestudeerd, beiden gebruiken ironie/parodie om de realiteit niet ter wille te zijn, het kwatrijn hebben ze beiden, en gekruist rijm maar vaak half, beiden gebruiken kapitalen waar dat niet nodig is, beiden hebben de jambe lief,  en ja, het viel me op dat de titel van Mesmans jongste bundel ‘As en Diamant’ heet, een echo van ‘Snikken en grimlachjes’ van Paaltjens.  In de gedichten waarin hij zijn eigen gevoeligheid relativeert, het subjectieve, ook het dichterlijke met een korrel zout neemt, het eenvoudige woord boven het poëtische stelt, de realiteit boven het romantische, sentimentele is Leo Mesman een verre nazaat van Paaltjens. Zoals in dit vers ‘Liefde is dit’:  We moeten het met elkander doen/ ooit stonden duizenden vooraan/ Maar na die eerste steelse zoen/ Was het met mijn en jouw vrijheid gedaan/ Al knellen af en toe de banden/ En vloekt het wel eens dat het kraakt/ We geven elkaar niet meer uit handen/ Tot onze laatste zuchten zijn geslaakt/. Nog een: ‘De eerste kus’: (voor Peter): Ik weet nog goed hoe de eerste kus mij smaakte/ Van het eerste vriendje dat mijn lippen vond/ Ik weet nog goed hoe Eros’ pijl ons raakte /En onze jonge leden ontbond/ Maar toen jij mij de eerste kus gaf, lief/Vond ik toch de zoetste mond.
De naklank van De Schoolmeester, minzaam spottend in een heldere eenvoudige stijl, hoor je bij Mesman waar deze zich betrokken uitspreekt over de wereld buiten hem.  Bijvoorbeeld in ‘Herkomst’: De sproeten van Ierse schonen /Herinneren ons eraan/ Europeanen zijn door schaarste /Aan zon verbleekte Afrikanen /Met ogen van ontzilte vissen /En haren van gevallen engelen.
Trek je de humor van deze generatie door, dan kom je terecht bij het realisme van de Zestigers, zij vragen aandacht voor de gewone dingen des levens, bevrijden ze uit hun context, zodat je op een bijzondere manier naar ze gaat kijken. Al was dat niet de opzet, hun gedichten werken niet zelden op je lachspieren en de humor is geboren als een serendipiteit, een ongewilde maar toevallige bijkomstigheid. Ik citeer uit het werk van Cees Buddingh’, een van de vaandeldragers van deze beweging: ‘bij wijze van spreken’ zo heet dit gedicht ; laten we maar gewoon doen/ dan doen we al gek genoeg.  Of: ‘zeer kleine ode aan de liefste’: vanochtend/ zag ik op straat/ een leeg Heinz-blikje liggen:/ en onmiddellijk/ dacht ik aan jou: 57 variaties.
Ik zei al, dat Mesman een eclectisch dichter is; wat hem goeddunkt zal hij koesteren, en dus sluit hij zijn ogen niet voor het realisme van deze groep dichters. In ‘As en diamant’ leunt hij op dit soort observaties. Luister maar: ‘Stof’: Ja, ik weet het/Wij zijn stof/ En zullen tot stof wederkeren/Maar daarom/ Hoeven we ons nog niet/Onder het tapijt te laten vegen. En: ‘Grafschrift van een componist’: Hier rust ik heel sereen/ Onder mijn zware steen/ Met enkel kruisen en/ mollen om mij heen.  Het probleem met humor is, dat je balanceert op een smal koord, je raakt snel door flauwiteiten uit je evenwicht, dondert de diepte in, komt terecht op het platte of in pure meligheid. Hier een voorbeeld weer van Buddingh’: ‘nogmaals de mens’: de mens is een vreemd wezen:/ hoe naakter men hem ziet/ hoe meer hij in zijn hemd staat. Mesman doet niet voor hem onder: ‘Over mussen’ heet het; het is een tanka:  een oude Japanse versvorm waarin wijsheid door mag siepelen : Zullen de mussen/ Ons missen als we ze niet/ Meer kunnen voeren/ Ja antwoordt de optimus/ Nee antwoordt de pessimus.
Nog een van hem: ‘Predikoe’: Alle gras/ is als vlees/ Zei de koe/ En ze nam/ Nog een hap.
We zullen deze en andere teksten rangschikken onder de ‘versjes’ waarover Mesman op zijn visitekaartje rept,  en  tegelijkertijd niet ontkennen dat As en Diamant een veelzijdige bundel is, waarin de dichter veel kanten van zijn poëtica laat zien, ons ‘gevarieerde’ gedichten laat lezen.  In zijn liefdesverzen, gedichten over het dichterschap en natuurgedichten wil hij laten zien wat hij kan: in mooie beelden weergeven wat hem bezielt. En hij kent de letteren, de mythologie, herneemt hier en daar frases van dichters of alludeert daarop, of is hij openlijk schatplichtig aan bekende collega’s; intertekstualiteit maakt een oeuvre rijker.Een voorbeeld:

DIE ZOMERAVOND IN COOLE PARK

De wind bewoog de boomtoppen
Vol raadselen heen en weer
Die zomeravond in Coole Park
Aan de oever van het meer

We waren jong nog en verliefd
En zaten hand in hand
Een zwanenpaar dreef stil voorbij
Vlak langs de waterkant

We lazen het gedicht van Yeats
Over de wilde zwanen op het meer
Beloofden elkaar eeuwige trouw
En zagen elkaar nooit meer

En als Mesman stilvalt, een writersblock heeft, niet in staat iets te schrijven, komt hij met een gedicht waarin hij verwijst naar een van de fraaiste verzen uit onze literatuur, ‘Impasse’ van Martinus Nijhoff. Mesman verplaatst zich in een koe, het beest waarmee Gerrit Achterberg de dichter vergelijkt, beide herkauwen immers de werkelijkheid. Luister naar ‘Impasse’ (lezen uit bundel). Ik hoop dat u taalt naar zijn room, zijn gedichten.                  

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon