De vrouwen van Ad Willemen

Ad_Willem.jpg
“Ad Fundum” 9 september t/m 7 oktober 2018

“Op zondag 9 september opent dichter Victor Vroomkoning[1] om 14:00 uur in Luycks Gallery “Ad Fundum”, een hommage aan meestergraficus en tekenaar Ad Willemen. Vijf jaar geleden overleed deze markante kunstenaar in zijn woonplaats Tilburg. Zowel in Luycks Gallery als in het nabijgelegen voormalig atelier wordt een keuze getoond uit zijn artistieke nalatenschap.  Willemens grote muze was het vrouwelijk naakt. In zijn grafisch werk citeerde hij veelvuldig en bevlogen uit de kunstgeschiedenis. Zijn fantasie werd geprikkeld door het werk van onder meer Cranach, Rafael, Piero di Cosimo en de Japanner Harunobu. Begin jaren ’90 kwam hij voor het eerst naar buiten met zijn ‘apocriefe’ oeuvre: erotische tekeningen naar levend model. Met een ‘Lust zu Zeichnen’, sterker dan alle andere lustgevoelens, om kunstcriticus Maarten Beks te parafraseren, zette hij tientallen vrouwen op even virtuoze als fijnzinnige wijze op papier. Zijn waarnemingen wist Willemen om te zetten in een eigen idioom, prikkelend, suggestief en provocerend, maar ook verstild en ontroerend, met een subtiel oog voor kleur en detail. Zijn werk geniet (inter)nationale bekendheid en is opgenomen in tal van particuliere en overheidscollecties.

[1] Onder het pseudoniem Stella Napels publiceerde Vroomkoning eind jaren ’90 de bundel Lippendienst, die de nodige stof deed opwaaien.
NB: opening zondag 9 september om 14:00 – 17:00 uur, meer informatie.” www.luycksgallery.com

Ik hield een voordracht bij de opening van deze expositie van voornamelijk erotische prenten, getiteld:
DE VROUWEN VAN AD WILLEMEN (6 april 1941 – 23 september 2013, Tilburg)
Ode aan de Eros

Goedemiddag luisteraars,

Op 10 mei 1979 overleed een van de grootste Vlaamse schrijvers, Louis Paul Boon, zittend aan zijn schrijftafel in Erembodegem, volgens overlevering werkend aan zijn Fenomenale Feminateek, een in 144 plakboeken vervatte knipselcollectie met 22.000 afbeeldingen van vrouwelijk naakt, voorzien van Boons commentaar,  - ik citeer hem - ‘een overzicht en history van het vrouwelijk bloot -of bijna - zoals het onze wereld van vandaag wordt aangeboden. Een verzameling zoals sommigen zich die met pijpen en postzegels aanleggen.’ Einde citaat.
Het gaat bij Boon om wat en op welke wijze de vrouw - het mooiste dier op aarde - in haar vele verschijningsvormen onze samenleving aan erotiek te bieden heeft, en bewust of onbewust het verlangen van de man opwekt, opdat hij een verloren paradijs terug zou vinden.‘Vastgeplakt op bladen’, schrijft Boon, ‘ kijken mijn vrouwen langs mij heen met vrijmoedige blik of omsluierde ogen, gedogend dat ik als bewonderend toerist en meteen als afgravend archeoloog het landschap van hun lichaam bereis’. Boon noemt zichzelf  ‘viezentist’ die in volle ernst de studie van de verleidelijke vrouw op zich neemt. Om ons in die ernst te doen geloven volgt een wetenschappelijk betoog maar als je de naam en personalia van de schrijver hiervan beziet, moet je dat met grote korrels zout nemen. Het essay zou geschreven zijn door ene professor dr. Steivekleut, emeritus-hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Tettekoven, kortweg Kut, lang voordat de Tilburgse Universiteit zo heette. De lezer van dit zogenaamd wetenschappelijk werk begrijpt dat dit Boon zelf is.

Een jaar of tien geleden werd Boons Fenomenale Feminateek opgenomen in deel XVI van zijn Verzameld Werk. Daarin zijn ook enkele van zijn erotische romans opgenomen waarvan Mieke Maaike’s obscene jeugd een beststeller werd. Behalve de gedurfde inhoud zorgde de dieprode fluwelige omslag met goudopdruk, de sierletters op de kaft en de in een weelderige rechthoekige lijst gevatte ovale foto van een wulps naakt met zwarte kousen en dikke billen voor ophef . Veelvuldig werd Boons verzamelen van verschillende soorten bloot en zijn obsceen werk als minderwaardig beschouwd. Men vond dat hij  met dergelijk werk een smet op zijn eigen oeuvre wierp, maar hij heeft die romans zelf steeds beschouwd als een persiflage, een parodie, een pornografische satire. (Tussen haakjes: ik denk daar anders over).

In hetzelfde deel van zijn Verzameld Werk ontbreekt overigens zijn laatste roman, die hij twee maanden voor zijn dood, op 15 maart 1979, toen hij 67 werd, voltooide: Eros en de eenzame man. Ik zeg u maar even in dit verband, al ziet u dit misschien niet meteen, dat Ad Willemen vijf jaar ouder was toen hij stierf en dat ikzelf over een maand 80 jaar oud ben. Dit laatste boek van Boon is zonder meer obsceen. Een citaat:’Twee of drie keer begaf ik me van het ene eind der straat naar het andere, me strelend, mijn ballen betastend, mijn fluit afrukkend, en hierbij de buik steeds maar uitstulpend alsof ik rechtstaande een vrouw aan het neuken was. Mijn ballen zwierden erbij heen en weer en klotsten tegen mijn kont aan. Mijn roede joeg heen en weer, ook al was het niet in een schede. Ik neuk. ik neuk!’ Einde citaat.

Ik las dit laatst in de refter van de Nijmeegse universiteit voor aan een goede vriend, niet veel jonger dan ik, die het werk van Boon beetje dacht te kennen. ‘Schreef hij die rommel?’ verbaasde hij zichzelf. En alsof hij een reactie van me verwachtte, begon hij te vertellen over zijn liefde voor het spel. De daad, zei hij - nou ja hij noemde die anders, maar niet veel anders dan Boon -, was een bijkomstige noodzakelijkheid. Subtiele franje, zei hij, daar komt het op aan, het langzaam open ritsen van een rok, het losknopen van een blouse, een kous die omzichtig langs een been heen glijdt, oplichtende vonken, nog geen brand.

Inmiddels was de refter vol met wezens in rokjes en broekjes – het was uitnodigend voorjaar - gestroomd. Mijn vriend bekende met die en die (hij wees met zijn hoofd) een langdurige flirt te willen met pauzes ertussen om op adem te komen. Hij was vooral geïnteresseerd in hun kruipruimte, zei hij, die zich onder rok of broek aan het oog onttrok. Ik knikte: ironie moet je blijven koesteren, evenals de vriendschap tussen twee mannen die weten wat gemeenschappelijk schouwen inhoudt. Waren wij nu twee vieze oude mannen, viezentisten?

Welnee, in hun geest blijven mannen althans die ik ken fris, alert, en beetje ondeugend, ze gebruiken zachte stijlfiguren, vooral het eufemisme en het understatement om draaglijk te houden wat verloren ging. Ik schreef er ooit een gedicht over:


TREINREIS

Ze is zichzelf zo volkomen dat ze mij
vergeet, ze kauwt banaan beet na
beet grazen haar ogen over de weiden
met de verse beesten van het voorjaar.

Haar benen zijn nog wit als haar gebit,
ik zit erbij en kijk ernaar, lief en zacht
stel ik mijn blik, in mijn versleten slip
ontvouwt zich mijn bejaard geslacht.

Mijn vingers willen naar haar tepels
maar ik houd ze met de krant in toom
en sluit mijn ogen om te strelen
in een lentesverre jongensdroom

totdat ‘uw plaatsbewijs alstublieft’
mij terugbrengt bij de man die ik laat zien.

Na ons middagmaal togen wij naar de collegebanken voor een referaat over de evolutietheorie van Darwin. De desbetreffende docent bracht de pauwhaan ter sprake, vreemde snoeshaan, wiens lijf bedekt is met een prachtig azuurblauw verenkleed; op zijn kop een parmantig kroontje. Echt indrukwekkend is de vogel - nou ja, vogel: hij is door al dat gekoketteer zo gehandicapt dat ie nauwelijks van de grond komt - wanneer hij zijn staart ontvouwt en er een schitterende kleurenwaaier te voorschijn komt met tientallen iriserende oogvlekken. Kijk hem eens zijn best doen te verleiden, dacht ik, toen een dvd hem liet zien. Daar kan menig moderne man iets van leren, maar ja, bij de mens hanteert de vrouw de waaier behalve tijdens de GayPride in Amsterdam. Verleiding: soms is ze niet meer dan een langzaam opgeslagen ooglid waarbij de wimpers de blik der ogen langzaam prijsgeven, of dat vanachter een voile een glimp van een gelaat te voorschijn komt, of zich naaktheid onder een doorzichtige jurk opzichtig schuilhoudt. Ik wijdde er een gedicht aan:

BEKORING

Hoe zij het begeerlijkst oogt tijdens een uitvaart in deugdzaam zwart
terwijl haar vuurrode lippen vanachter haar voile meebidden met haar
gelakte gevouwen zijden vingers en haar lelieblanke vlees onder de naden van haar nylons om compassie smeekt.
Hoe ik dan niet wachten kan met mijn antwoord op de dood. 

Het gaat erom naakt te suggeréren, niet om het te zíjn. Kleding is voor de mens noodzakelijk, niet om er zich mee te bedekken, maar zich ervan te ontdoen. Niet voor niets is een strip opwindend. Ik heb het zelfs bij het beroemde 3-hoekige zachte romige smeerkaasje La vache qui rit (u weet wel met de rode koeienkop) dat je met een rood lintje uit zijn zilverkleurige omhulsel kunt bevrijden, stripcheese. Zelfs als de vrouw bijna bloot is, kan een enkelbandje nog voor opwinding zorgen, kan een lint dat vanuit haar gevlochten haar tussen haar billen ritselt nog een siddering veroorzaken. Er moet iets tussen het naakt en de schouwer zijn, iets wat het verlangen voedt om dat naakt te ontdekken.

Een sluier, schemerlicht, de rook van een sigaret, een kier, een sleutelgat, een laken dat wel de vorm niet de inhoud prijsgeeft, een stem aan je oor, sporen die aan de verre geliefde doen denken, ze werken erotisch.

MOSKOU

Thuis op je voicemail haar stem
lieve dingetjes laten inspreken,
die meenemen naar het Rode Plein
om ze daar heimelijk aan je oor te laten
klinken alsof ze naast je staat te fluisteren,
je Nathalie uit Ravenstein.

Niet de recht-toe-recht-aan - strategie van Boon, maar het voorspel, het spel van mijn vriend in de refter. Je kleden om naakt te raken, je verbergen om gevonden te worden, de opwinding voor de afwikkeling. Spanning vóór het blote feit, de kunst van het uitstellen, dat is toch erotiek?

Erotische kunst beweegt zich in de schaduw van het vlees, erotiek is ingehouden passie, is duiden in plaats van noemen, schouwen in plaats van handelen, verleid wíllen worden maar het daar bij laten. Geniet van op afstand, weet ook de kunstenaar.

OP SCHAAL

Zij kan erbij liggen als fris fruit, schijnbaar achteloos
gerangschikt maar zó en niet anders: kijk
naar me zolang je wilt maar blijf van me af, geniet van op
afstand, bederf me niet met je handen, je mond, overwin je
trek, reik niet tot mijn schil. Bedwing je, graas me
met je ogen af en laat mijn stilleven onberoerd.

Inmiddels zullen de kenners onder u wel begrepen hebben dat ik zonder dat ik dat ter sprake bracht, al veel over het werk van Ad Willemen heb gezegd. Op een slaapkamer bij mij thuis hangen negen van zijn vrouwen, om precies te zijn: acht zitten er en één staat, allemaal separaat achter raampjes zou ik het willen noemen, gevat in een kloeke lijst, hun huis. Meteen toen ik het van Willemen meenam na een vrijmoedig bezoek aan zijn atelier, dacht ik aan een bordeel waarin de dames zich van buiten laten zien vooraleer je bij ze naar binnen kunt. Als de prenten iets kleiner waren uitgevallen, zou je van een kleine postzegelverzameling hebben kunnen spreken, een kleine fenomenale feminateek van Willemens naakten en halfnaakten. De meest erotische is de dame die haar rok opschort zodat we (u en ik) tegen haar kruis - de kruipruimte van mijn vriend - aan kunnen kijken. Dat kun je bij de andere ook, maar daar is de spannende context verdwenen. Puur naakt, puur vlees, is saai, dat wist Willemen maar al te goed.  Als je door zijn werk bladert, ontwaar je weliswaar het naakte van de vrouwelijke sekse, maar eerder is sprake van gecamoufleerd naakt, waardoor het des te meer prikkelt. Een schoen - één schoen -  een jarretel, een nylonkous, een schort, lipstick, opschik. Zijn laatste boek Naakt + geeft dat aan: naakt met een toevoeging waardoor het begerig is, verleidelijk, soms beetje obsceen. Een naakte vrouw is alleen maar bloot. Zet haar op een fiets met een stokbrood in haar tas en de eros is gewekt, ervoer ik vorige maand nog op een naturistencamping. Getooid bloot, een opwaaiend rokje, een banaan tussen twee bloedrode lippen, een vlinder op een borst. Je wilt niet weten wat je ziet, maar wat zich voor je verborgen houdt.

Nu even dieper het werk van Willemen in. Wat wilde hij? Wat was de aandrift tot het tekenen, het penselen van al dat naakt? Ik houd het erop, dat hij als Louis Paul Boon op zoek was naar dé vrouw achter al die manifestaties, het doorgronden van haar wezen, tegelijk denk ik het doorgronden van zichzelf. Hij tekende zijn vrouwen naar model, dus binnen handbereik. Dat is mij als dichter nooit gelukt. Hoor maar:

NAAKT

Hoe krijg ik haar
zo ver?
Ben geen schilder
heb geen ezel.
Welke smoes
zal het doen?

Welke kunst
om haar
op mijn linnen
te krijgen?

Even tussendoor: ik heb mij 20 jaar geleden verplaatst in een vrouwelijk ik, en heb me toen onder meer afgevraagd hoe het zou zijn als model te poseren en hoe de schilder zich zou houden daar achter zijn doek en palet als ik daar in mijn halve naaktheid aan zijn voeten lag. En ik schreef als Stella Napels het volgende gedicht dat opgenomen is in een bundel onder de veelzeggende titel Lippendienst.

MODEL

Laat mij hem uittekenen.
Hij zet de ezel op, beveelt mij
in de pose die hem lokt, zwijgend
moet ik nijgen, de stilte voor de vorm.

Het duurt wel even voordat iets
in hem beweegt. Kijk zijn mond
kieren, zie zijn tong week en vol
het lippenvlees toucheren.

Zijn adem rijst, uit zijn middel
zwelt de zucht, zijn hand aan het
penseel. Is hij met me klaar

geen veeg, geen fractie verf.
Het doek is leeg op het gebroken
wit na, dat ik uit hem heb geknepen.

Waar waren we gebleven? Bij Willemen die het vrouwelijk model tot prent maakt en zich daarna af kan vragen of die overeenkomt met wat hij in haar zag, in zich van haar zag. Elke prent is bij wijze van spreken min of meer een zelfportret al staat dat er niet onder. In de optelsom van al zijn prenten geeft /legt Willemen zichzelf letterlijk bloot; zo zijn werk is, is hijzelf. Wat (in) een prent is, is (in) de maker. Willemen bevrijdt als het ware een vrouw, een prent uit al de prenten, al de vrouwen. Die prent was er al maar moest nog worden bevrijd, zoals een beeldhouwer het beeld dat hij erin zag, uit het marmer tevoorschijn haalt.

Paul Cézanne (11839-1906) schilderde bijna honderd maal het gebergte Mont Sainte-Victoire, een kalksteenmassief in het zuiden van Frankrijk, dicht bij Aix - en - Provence, ten einde het wezen ervan te achterhalen, te ontdekken, te duiden. Hij wilde weten wat/wie hij voor zich had. Onder het schilderen ondervroeg hij als het ware het gebergte dat tegenover hem bestond, dat zijn Muze geworden was. Cézanne werd één met die berg, versmolt ermee, schilderde hem van alle kanten en vond het kubisme uit. Willemsen schilderde zijn vrouwen en vond zijn nudisme uit.

Ik heb het woord ‘muze’ genoemd, Muze (liefst met hoofdletter) als inspiratiebron van de kunstenaar. Als men het doorgaans over de muze van een dichter, een kunstenaar in het algemeen heeft, denkt men al gauw aan een vrouw, een bepaalde vrouw, over wie men schrijft, voor en over wie men schildert, beeldhouwt, fotografeert etc. Als ik gedichten van collega-dichters lees waarin een vrouwelijke muze huist, word ik wel eens nieuwsgierig naar het levende exemplaar, wat natuurlijk een tamelijk foute gedachte is. Maar toch: meer dan eens ontmoet je de vrouw die door de dichter als zijn muze wordt beschouwd, en dan schrik je; is zij dat bijzondere, wonderbaarlijke door de dichter bezongen wezen, deze alledaagse, onbijzondere verschijning van middelbare leeftijd?

Vormde voor Cézanne het gebergte zijn Muze, voor Willemen was dat De Vrouw van wie hij  onophoudelijk het wezen trachtte te doorgronden, tegelijk meer van zichzelf te vinden. Preciezer: in het werk van Willemen manifesteert zich de Eros, het Schone. Ja, in Platoonse zin: als aanzet tot alle creativiteit. Elke prent van hem is een blijk van de werkzame Eros in hem, tot het verkennen van zichzelf.
Kunst is aanvullende mensenkennis, zeg ik Herman de Coninck na, de Vlaamse dichter die van erotiek zijn handelsmerk maakte, die geboeid was door de vlezen vrouwen van Willemen. ‘Je schrijft’, zegt hij, ‘om uit te vinden wat je al kende. Het schilderij stuurt de schilder niet andersom. Je vindt je eigen biografie uit.’
Willemen leefde met zijn vrouwen, liever andersom: zijn vrouwen leefden in hem, nog anders: zonder zijn inwonende vrouwen was hij nooit kunstenaar geworden. Het bordeel van Willemen in mijn slaapkamer huisde in hem. Hij was/is de lijst die alles samenhield/houdt. Ik heb een Willemen in huis, wordt niet voor niets gezegd;  ik kan dagelijks naar zijn vrouwen, naar hem kijken.

De beeldhouwer Pygmalion werkte lang aan een ivoren vrouwenbeeld. Hij gaf het zijns inziens de perfecte schoonheid en uiteindelijk werd hij zo smoorverliefd op haar dat hij wilde dat zij leefde. Hij schonk het beeld allerlei cadeaus en juwelen, maar het ivoor bleef ivoor; zo zijn vrouwen, had ik hem kunnen influisteren.
Edoch een andere dame kon zijn hartzeer niet verdragen: Aphrodite wekt het beeld tot leven, waarna Pygmalion zijn eigen schepping, Galatea -  zij die melkwit is  - huwt. Ikzelf heb dit in een gedicht proberen te ervaren:

GALATEA

Ik had de zomerjurken van mijn buurvrouw lief
zoals ze in de wind om haar gazellenbenen wuifden,
zoals ze ternauwernood haar rondingen binnen
hun boordsel konden houden.
Ik had ze zo lief dat ik mijzelf aantrof in de woning
waar ze uithingen, en er een ontknoopte, in mijn armen
nam en ze vanzelf alle vormen van de draagster prijsgaf.

Maar ach arme, het levende beeld is niet bestand tegen slijtage, terwijl het ivoren equivalent onveranderd schoon zal blijven. De vervulling is het einde van de wens, het verlangen, de inspiratie, de verbeelding, ja, de kunstenaar. De eros ging, erosie kwam. Gelukkig heeft Ad Willemen ons zijn onvergankelijke vrouwen achtergelaten, die ons kunnen blijven beroeren, boeien, ons verleiden. De schepper is helaas al vijf jaar niet meer onder ons en de modellen die hij voor zich zag hebben evenmin het eeuwige leven. Maar zijn werk wel. ‘Bekijk het en geniet ervan zoals ik het zelf gedaan heb ‘, liet hij ons weten. Lang leven de vrouwen van Ad Willemen! Lang leve Willemen! Lang leve de Eros!
Ik dank u voor uw aandacht.

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon