Klinker & Medeklinker

Front liter

Rubriek in Literair Tijdschrift ‘Liter’. Hierin spreken een dichter (de klinker) en een lezer (de medeklinker) zich onafhankelijk van elkaar uit over hetzelfde gedicht, in dit geval Victor Vroomkoning & Teunis Bunt over het gedicht ‘Zoon’ van Vroomkoning uit de bundel ‘Gebroken Wit’. Jaargang 21, nummer 90, juni 2018

Klinker & Medeklinker

zoon

Om zich heen ervoer hij de afwezigheid
van zijn vader sterker dan hij ooit
zijn aanwezigheid had gevoeld, zodat
het leek of hij er nu veel meer was
dan voor zijn dood. Zodat hij diens stem
opriep, mantra om hem te verstaan en
elke dag nu met hem sprak, alle dagen
die hij met hem gezwegen zou hebben.

Die Vatersuche [klinker]

Wie was hij, mijn vader? Wat ‘ging er door hem heen’ toen hij een dochter bij de burgerlijke stand had aangegeven en genietend van een biertje vernam dat zijn vrouw nog een kind gebaard had: mij, een zoon? Hoe voelde het mij te zien vertrekken naar een internaat? Vloekte hij toen zoonlief er niet voor voelde zijn opvolger te worden? Wat vond hij van mijn scheiding? Waarom spraken wij zelden over wezenlijke zaken?
Hoe ik met het houden / van ouders begon, / toen ik mij kwijt was / in een kind schrijf ik in het gedicht ‘Beheer’ (Klein museum 1987). Je hoort het vaak: je bezint je eerst goed over (de band met) je ouders als je jezelf ouder hebt gemaakt. Vanaf de geboorte van mijn eerste kind – een dochter – en zeker nadat mijn zoon – ik was toen veertig – zijn intrede in mijn leven deed, begon ik dat van mijn ouders te bezien, te bevatten, te reconstrueren, eerst in gedachten, daarna in gedichten, vooral het leven van mijn vader. De vader-zoonrelatie beschouw ik als een van de indringendste topoi.
Mijn vader was een hardwerkend brood- en banketbakker, zijn biotoop was zijn bakkerij, veel verder kwam hij zelden. Reizen zouden hem maar vervreemd hebben van zijn vertrouwde, intieme wereld, behoefte aan vrienden had hij niet. Hoewel hij zo goed als altijd thuis was, was hij nauwelijks bereikbaar voor zijn kinderen, zijn handen lagen om de degen; bovendien was hij geen al te spraakzaam mens. Wie hij (voor mij) was (geweest), moest ik verzinnen. Wat wij samen niet hadden (gehad), herschiep ik in de voor mij inzichtelijke en intieme ruimte van het gedicht, overeenkomstig de cocon waarin mijn vader leefde. Dat ik diens woorden spreek / wiens brood ik heb gegeten wenste ik mij (‘Proloog’).
Ik verdraaide feiten, verzon leugens om bestwil, spiegelde mijzelf aan hem en omgekeerd. Romantische projectie? Vooroverbuigend spiegel ik me / in het ingelijst gezicht. / Uit één mond zwijgen wij (‘Derde bezoek’). Ik maakte van mijn vader de vader die ik voor mijn zoon werd: Nu mijn zoon naast me in bed / met een zelfgetekend portret / van zijn vader. Van mijn vader (‘Vaderdag’). En andersom: hoe ik mijn zoon besmet / met angsten die mijn vader/ in mij uit deed breken (‘Erfgoed’). Toen hij nog leefde had hij kunnen lezen hoe ik hem deed leven in mijn verzen, maar hij deed het niet, vroeg er niet naar en bleef de grote zwijger die mijn oude vader was (‘Zwijgplicht’), behalve als hij zong met zijn heldere tenor die hij van een jaar kleinseminarie had overgehouden. Vooral als hij na de wekelijkse koorrepetitie thuiskwam en zijn Latijn in een onvervalste smartlap overging tot die smoorde in het echtelijk bed. Dan zweeg hij niet. Die bevrijde zuivere stem van een man die zo alleen voor brood leefde, riep ik graag op om hem daarna te laten spreken zoals het mij uitkwam, opdat hij ging beantwoorden aan het beeld dat ik van hem wilde. Ik verzon mijn genese, liet hem beminnen, dichtte hoe de Oedipus in me met zijn vrouw, mijn moeder, trouwde: Ik werd haar verre bruidegom. Ik schiep een lijk van hem, liet hem in Klein museum sterven voordat hij gestorven was.
Na zijn dood kwam hij nog intenser door, vooral zijn stem. Geef mij de stem van die ene mens, / geef mij de stem van mijn vader / in mijn oren tot mijn verre ogen / hem ontwaren tussen de tenoren / tot ik weer de handen voel waarmee / ik die van mij ging meten, welpen- / knuistjes met de vuisten van een vent. / En dat dan de stem van mijn zoon / mij roept met de stem van mij, / met de stem waarom ik roep (‘Stemmen’).
Uiteindelijk richtte ik in en door mijn poëzie een monument voor hem op, maakte hem bijna tot een mythische figuur. Hoe dan ook, in mijn vadergedichten is sprake van een illusoire werkelijkheid, van een deels verzonnen vader. Dichten is zo eerlijk mogelijk liegen: Verbeelding krijgen kinderen van / vaders die kinderen van vaders bleven (‘Drie koningen’), zo filosofeerde en gokte ik.
Mijn vader. Hij stookte zijn houtoven met mutserd, bijeengebonden takkenbossen die wekelijks op de stoep voor ons huis werden afgeleverd. Hij wist waar Abraham de mosterd haalde, want dat is niets anders dan de in de volksmond verbasterde musterd: de takkenbos waarop hij zijn zoon Isaäk wilde offeren… Zover kwam het ook bij ons niet, al had ik soms het vermoeden dat vader me wát graag naar een andere wereld had geholpen, niet die van het dichterschap.

Victor Vroomkoning

Praten tegen jezelf om de ander te bereiken [medeklinker]

Sommige gedichten zingen, andere praten. Victor Vroomkoning kiest vaak voor een praattoon en in het gedicht ‘Zoon’ is die toon er heel nadrukkelijk. Hier lijkt iemand aan het woord die ons rapporteert wat er gaande is. De verteller wil dat niet zo mooi, maar zo nauwkeurig mogelijk doen. Dat er twee keer kort na elkaar het woord ‘zodat’ gebruikt wordt, is bijvoorbeeld niet zo fraai, maar daar gaat het blijkbaar niet om. De verteller analyseert de situatie en legt een keten van oorzaken en gevolgen bloot.
Er is een vader overleden en de zoon ervaart diens afwezigheid. ‘Om zich heen’, dus niet zozeer innerlijk. Vader is er domweg niet meer; hij is niet meer iemand die je kunt zien. Of horen. Voor zijn dood was vader er blijkbaar vaak, maar die aanwezigheid leek toen niet zo belangrijk. Pas nu hij er niet meer is, loopt het in het oog en merkt de zoon dat er iets ontbreekt. De leegte blijkt betekenisvoller dan indertijd de aanwezigheid van vader was.
Vader is er nu ‘veel meer’, schrijft Vroomkoning, wat zowel ‘veel vaker’ als ‘veel nadrukkelijker’ betekent.
De zoon probeert niet zich vaders uiterlijke verschijning of zijn geur te herinneren, maar zijn stem. Hij roept die stem op, om die in gedachten in het nu te horen. Zolang iemand leeft, bepaalt hij zelf of hij wat zegt, maar is hij gestorven dan kun je hem in je verbeelding laten doen wat je wilt. De zoon laat hem praten.
Het is een ‘mantra om hem te verstaan’. De mantra duidt op herhaling. Waarschijnlijk voeren vader en zoon steeds dezelfde gesprekken in het hoofd van de zoon. Die hoopt daardoor de vader ‘te verstaan’. Bij een gesprek kan het voorkomen dat je de ander niet goed verstaat, als je niet precies hoort wat hij zegt. Maar in dit geval zal ‘verstaan’ zeker ook ‘begrijpen’ betekenen.
In de innerlijke gesprekken die de zoon met de vader voert, probeert hij hem te begrijpen. Blijkbaar is dat nodig en wil de zoon dat graag. Bij leven heeft hij zijn vader nooit begrepen. De onbegrepen en misschien wel onbegrijpelijke vader was wel ‘om hem heen’. Misschien voelde de zoon indertijd de noodzaak tot begrip niet zo of misschien dacht hij dat er nog wel tijd zou zijn om dat begrip te bewerkstelligen. Tot vader er niet meer was en ineens heel nadrukkelijk afwezig was.
De zoon spreekt ‘elke dag’ met vader en verderop in de zin staat ‘alle dagen’: elke afzonderlijke dag en alle dagen bij elkaar. Het gesprek herhaalt zich als een mantra en de zoon hoopt daardoor vader dichter bij zich te kunnen krijgen. Juist nu hij er niet meer is.
Was hij er wel geweest, dan zouden ze gezwegen hebben. Alleen in de fysieke afwezigheid van de vader is er, misschien, misschien, een kans op toenadering.

Het gedicht van Vroomkoning hangt van de paradoxen aan elkaar: de vader is aanwezig doordat hij afwezig is, vader en zoon zwijgen als ze de gelegenheid hebben om te praten, maar praten als ze niet werkelijk iets tegen elkaar kunnen zeggen.
De dichter geeft daarmee een scherp beeld van hoe paradoxaal en ingewikkeld verhoudingen tussen mensen zijn: hoe afwezig iemand kan zijn als hij aanwezig is en andersom. Hoe betekenisvol zwijgen kan zijn en hoe wanhopig praten. Dat je altijd een poging kunt doen om elkaar te naderen, ook als je niet meer bij elkaar bent. Dat er altijd wel iets is wat tussen mensen in staat.
Al vanaf het lied over de twee koningskinderen weten we dat er tussen mensen water kan zijn dat veel te diep is. Toen de vader leefde, kregen hij en zijn zoon het niet voor elkaar om de afstand te overbruggen, al waren ze misschien maar enkele stappen van elkaar verwijderd. Ze zwegen.
En na de dood is er wel dat gesprek, dat steeds opnieuw gehouden moet worden. Misschien niet omdat het helpt, maar omdat het de hoop levend houdt dat het ooit zal helpen. Naderen vader en zoon elkaar? Misschien, maar er zit wel een dood tussen, een water dat veel te diep is.
De relatie tussen de vader en de zoon was bij leven niet goed of in ieder geval niet goed genoeg. Ik vind het mooi dat de zoon zich daarbij niet neerlegt, maar dat hij door blijft ploeteren, ook na de dood van de vader. Misschien tegen beter weten in, maar dat is niet zo erg. Pas als hij stopt met zijn pogingen zijn vader te bereiken, is hij hem voorgoed kwijt.
En daarom hoort hij hem praten, met woorden die de vader niet meer kan zeggen, zoals iemand een god uit een lege hemel kan horen. Misschien is een mantra ook een gebed en misschien bestaat een gebed altijd uit woorden die we tegen onszelf zeggen.
De zoon praat eigenlijk tegen zichzelf en probeert zo de ander te bereiken. We zien het hopeloze van de situatie in, maar misschien is dit het enige wat we hebben: praten tot onszelf en zo de verbinding met anderen zoeken. We zullen ze niet bereiken, maar als we aan ze denken zijn ze aanwezig, ook al zien we ze niet en praten ze, ook al zwijgen ze. Het zijn schamele pogingen, maar als we het gedicht van Vroomkoning volgen, is het misschien wel het enige wat we kunnen doen. We kunnen het, hoe dan ook, proberen.

Teunis Bunt

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon