Overlijden Jeanne van de Laar

Mijn tweelingzus stierf op 12 september 2018
Foto_prentje_Jeanne.jpg

Tijdens de afscheidsdienst sprak ik het volgende woordje.

Lieve familie en vrienden van Jeanne,

Hebben we negen maanden bij elkaar gelegen, schiet zij ineens naar het licht toe, eruit. Ik heb nog drie uur na liggen sidderen, voordat ik de warme schoot van onze moeder verliet. Intussen had Wout van de Laar, de man die onze vader zou worden, mijn zus op het Boxtelse gemeentehuis al aangegeven onder Latijnse namen die in de praktijk al gauw teruggebracht werden tot de naam waaronder zij door de wereld zou gaan: Jeanne, een in Vlaanderen waar onze moeder Mathilde Lippens geboren was, gebruikelijke voornaam.
Gelukkig brachten onze ouders, vooral onze moeder, ons na de breuk van onze geboorte , weer samen. En dat schoven ze niet onder stoelen of banken. We staan zelden of nooit alléén op de foto, maar sámen: in de wieg, in de armen van vader als soldaat, als twee poppen bij moeder op schoot, aan weerszijden van een heeroom, bij grootmoeder in de zon, in onze tuin tegen de achtergrond van de groot uitgevallen schuur, opslagplaats die mijn ouders om onbegrijpelijke reden De Arabische School noemden, we turen samen door het raam, liggen samen bij een molen,  lopen aan de handen van vader op de Zwaanse brug, poseren als bruidspaartje, kabouters, matroosjes, ook in een scène waarbij ik als priestertje de zegen geef aan mijn zus die als nonnetje met een kind (= pop) op schoot  zit  -het desbetreffende huisaltaartje staat nu te pronk in het Boxtelse museum -  we laten ons fotograferen als communicantjes, op een picknick met Vlaamse familie of  in de boomgaard in Velddriel waar onze vader geboren is. Welke foto je uit onze kleuterjaren en ver daarna ook bekijkt: we zijn daar altoos samen, onafscheidelijk lijkt het tot en met een geschilderd dubbelportret toe. Later zal blijken hoe verschillend we zijn naar aard, gedrag en uiterlijk, hoewel dat toen aan onze kleren nog niet te zien was. Wij droegen zoveel mogelijk dezelfde kleuren, motieven, pakjes, wij waren eendrachtig in de werkelijke zin van het woord. Onze moeder deed er alles aan om ons op een eeneiige tweeling te doen lijken. Dat ging zelfs zo ver, dat ik soms in meisjeskledij rond liep.

Onze ouders hebben ons verwend ondanks de oorlogsjaren; wij waren hun kleinoden, hun kleine oden aan hun huwelijk. Was ik moeders kindje, Jeanne was vaders oogappel. Zij had de zwarte kijkers van hem. Even zwart was haar haar met meestal een enorme witte strik in top. Vader noemde haar liefkozend, ook een beetje zichzelf herkennend: ‘onze zwarte’. Eenmaal de kleutertijd en bewaarschool bij de witte nonnen achter ons,  bleven we nog altijd dicht bijeen: we hinkelden, we begonnen met pianoles, Jeanne -toen nog even groot als ik- en ik leerden fietsen op de markt, later kregen we grotere fietsen met blokken aan de trappers, want  kinderfietsen waren zeldzaam in de oorlog, je leerde fietsen op een grotemensenfiets.
Onze ouders waren goed in vieren: onze verjaardagen, hun verjaardagen, kerkelijke gebeurtenissen, Sinterklaas, jubilea. Onze Eerste Heilige Communie leek wel een bruiloft; we werden met een koets opgehaald en aan huis weer afgeleverd. Vader, meesterkok, had zoals gewoonlijk weer voor een buitengewone maaltijd, zeg maar: galadiner, gezorgd . Later leerden klanten zijn overheerlijke vol-au- vent (pastei) kennen en zijn prachtige profiterolestoren ( opgestapelde soesjes); waar kom je ze nog tegen? Later zou Jeanne in de winkel gaan werken en daar de beroemde Boxtelse mop van vader samen met Sjaantje op de jaarlijkse Moppenmarkt aan de man brengen.

Van jongs af aan hadden wij met ons vieren een bijzondere band met onze Vlaamse neven Staf en Tony en onze nicht Nieke Lippens, kinderen van Louise en Miel, broer van mijn moeder. Zij logeerden vaak bij ons, wij bij tante Nieke in Antwerpen, zus van onze moeder. Met Tony en zijn vrouw Irene en vooral met nicht Nieke en haar man Marcel heeft Jeanne haar hele leven contact gehouden. Nieke die door onze vader naar het trouwaltaar geleid was, met wie Jeanne veel jeugdervaringen en familieliefde deelde, is vorig jaar november overleden, ook voor ze tachtig zou worden. Op het gedachtenisprentje van Jeanne en Nieke staat hetzelfde versje.
Even verder terug in de tijd: gingen wij tot ons elfde levensjaar nagenoeg onlosmakelijk door het leven tot en met het tweepersoonsledikant, toen wij naar kostschool gingen, werden wij gescheiden. Ik voelde dat als een enorme breuk, Jeanne niet. Integendeel. Zij ging naar de nonnen in Engelen, wel een toepasselijke naam voor haar, al was het vaak een bengeltje; ik naar een internaat bij paters franciscanen, (daar hoort nu een uitroepteken achter). Ik was na anderhalf jaar heimwee weer thuis, maar zij wist van geen ophouden; na vijf jaar arriveerde ze weer aan de Rechterstaat. Ze had het reuze naar haar zin gehad tussen al die andere grieten. Veel gelachen, zei ze. Mij niet gemist.

We hadden een buitengewoon katholiek gezin; onze moeder had geprobeerd non te worden, voor ze ons kreeg (begrijp me niet verkeerd), gelukkig maar dat ze het te heet kreeg in Afrika, anders had ze nooit onze vader ontmoet ( niet ‘hét onze vader, dat werd samen met het weesgegroetje duizenden malen – en ik overdrijf niet – door ons gezin gebeden). Jeanne en ik leerden de katechismus (van buiten) en toen we de Plechtige Heilige Communie vierden kregen we ieder een missaal; ik met goud-op-snee; zij met rood-op-snee, want haar ijver was beduidend minder dan haar speelsheid. Ze was niet haatdragend of jaloers, maar later zei ze, dat ze toen al begreep dat ik  - en ik citeer haar letterlijk – ‘alles had gekregen’  en zij ‘niets’ Dan vroeg ik altijd van wie, van God of van ons vader en moeder? Dat liet ze dan wijselijk in het midden. Ik kom hier dadelijk op terug.

Mijn vader had twee broers die allebei pater kapucijn werden en die heel ons leven lang bij ons gezin betrokken zijn geweest, wat ook gezegd moet worden van  ‘ons Jo ‘ en haar familie, onmisbare hulp in huis. Zij was zonder meer een tweede moeder. Míjn moeder beschouwde de heerooms als halve heiligen, wat mijn vader sterk overdreven vond. En Jeanne had ook haar twijfels. Ik was toen nog behoorlijk devoot. Met de grote feestdagen zat ons gezin driemaal in de kerk, ’s ochtends bij de mis, ’s middags bij het lof en ’s avonds nog een keer om het af te leren. Mijn vader was tenor in het koor, ik mocht dan mee met hem naar boven in de kerk, Jeanne niet, die moest van moeder hem steevast na de mis uit het café gaan halen waar hij achter een borreltje zat te wachten tot ‘de zwarte’ arriveerde. Bepaald geen straf voor Jeanne. Zo vader, zo dochter. Ze hielden allebei van op stap zijn, als het kon zingend en dansend. Jeanne werd dan beetje lichtzinnig; in haar gedrag weerspiegelde zich dat van mijn vader in wie de levenslust dan alle ruimte kreeg, ze deden soms dingen die ze in alle nuchterheid achterwege zouden hebben gelaten.
Op de kermis vroeger was zij niet te houden. Dan hadden we voor vier dagen een abonnement voor de zogenaamde cakewalk, lunapark, keekwalk zeiden we omdat het Engels nog niet tot de lagere school was doorgebroken. Dan dwarrelde Jeanne de halve dag over die hindernisbaan met bewegende trappen en planken, bruggen en glijbanen; echt iets voor haar.
Ook vierden mijn zus en ik het feest der Onnozele Kinderen op 28 december. Wij waren op die dag de baas in huis; hingen aan de keukenrol de Agenda van de dag; wij wasten af, stofzuigden, deden zoveel mogelijk de dingen die vooral moeder deed, behalve het koken, zo onnozel waren we ook weer niet.

Weer thuis na de kostschool moest Jeanne  wennen aan het huiselijk verkeer; maar al gauw zaten we weer aan de piano voor uiteraard de quatre-mains, vierhandenspel, waarbij zij de boventoon voerde en ik de onderliggende partij was zoals bij onze geboorte. Daarnaast hanteerden we allebei de strijkstok, zij voor de cello en ik voor de viool; wij gaven huisoptredens in de ‘goeie ‘ kamer ( de luxe voorste kamer van de kamer en suite) en zongen ook buitenshuis vooral het door mij gecomponeerde lied “Wij samen” om maar eens duidelijk te maken hoe we bij elkaar hoorden.  Met Carnaval bleven we in elkaars buurt, we dansten samen, en gingen met ons vieren op vakantie, zij met André Verweij die schoorvoetend in haar leven was gekomen, en ik met haar vriendin Diny, die ook nog eens Van de Laar heette en met wie ik me zou verloven. Hoe intiem en dichtbij kun je blijven.

Ik sla een stuk van ons leven over en ga met reuzenstappen naar het heden toe. Jeanne trouwde, ik trouwde, zij met André, ik met Inge Gorris, getuigen hoefden wij niet ver te zoeken. Wij kregen ieder 2 kinderen, Maud voorop, ik werd haar peetoom, en daarna kwam Ellen. Ik leerde de Verweijs kennen, zij de Gorrissen. Maud werd moeder en mijn kinderen, Merlijne en Valentijn, zorgden ook voor nageslacht.

Familiemens Jeanne bleef haar hele leven de schakel tussen de families met wie ze verstrengeld was; met de Verweijs in het bijzonder, met die uit Velddriel, vooral Lia, met de Gorrissen, vooral Inge, met mij en de kinderen en met wie van de Vlaamse familie nog over waren; we hebben in mei, samen met Maud en met mijn vriendin Anne in de buurt van Brasschaat nog met ze gedineerd, op Hemelvaartsdag (!).

Tot zij twee-en -een halve week geleden in haar laatste ziekenhuisbed belandde, waren  Jeanne en ik er voor elkaar, wij leefden met elkaar mee, vooral in de tegenspoed die zij kende, die op het gedachtenisprentje wordt gememoreerd. We belden elkaar vaak op en elke 24ste oktober na hun dood herdachten we samen de trouwdag van onze ouders, tegelijk de bevrijdingsdag van Boxtel.  Zij was blijvend geïnteresseerd in wat ik deed, hield op afstand contact. Ze verzorgde mij toen ik acht jaar geleden met een prothese revalideerde. Ze trok om half zeven na het eten een glimmende pyjama aan, schonk een wijntje in, zette zich voor de televisie en zei: zo, dat doe ik thuis ook altijd. Dat moest ze een half uur later uitleggen aan een vriend voor wie ze de deur open deed.  Zou ze zo Leo ook ontvangen hebben?
Zij had een gulle hand, een gulle lach en een Brabantse mond; als ze er niet uitkwam zei ze: Dinges. Dinges? Ja, als ze niet uit haar woorden kon komen, zei ze gewoon: Dinges. Ik zeg nogmaals:  gewoon: Dinges. André zei om de zeven woorden: ’gewoon’ dat was zijn stopwoord; Jeanne zei om de zoveel woorden: Dinges, haar vulwoord. Dat had ze van haar vader, mijn vader, die ook niet altijd op bepaalde woorden kon komen. Het was bij  Jeanne soms zo veel Dinges dat het humoristisch werd: ‘Ge wit toch wel? Dinges! van Dinges die die Dinges deed. Snapte gij dè nie? Dinges!’ Helaas heeft ze dat niet eens meer kunnen zeggen na haar herseninfarct.

Hoe verschillend wij ook waren, we hadden buiten onze verzamellust het allerbelangrijkste  gemeen : de liefde voor onze ouders die wij op op zeer verschillende wijze lieten blijken. Mijn zus woonde in hun nabijheid en nam het grootste deel van de zorg voor hen op zich.  Ik bleef meer op afstand, ook letterlijk, hield mijn ouders in stand in mijn gedichten. En hoewel  er niet zelden acceptabele redenen waren waarom ik minder vaak dan Jeanne bij mijn ouders op bezoek ging en hun zorgen deelde, bleef ik mijn moeders favoriete kind. André noemde mij daarom  ‘de prins’, en dan in ironische beetje verwijtende zin. Ik was in zijn ogen het kind  dat bij mijn moeder een streepje voor had, al compenseerde mijn vader dat door mijn zus ‘grager’ te zien, zoals ze in Vlaanderen zeggen. Achteraf moet ik constateren dat mijn zwager enigszins gelijk had, en dat ik wel praktischer van mijn liefde voor mijn ouders blijk had kunnen geven dan van op afstand gedichten over hen te schrijven. Wat schoten ze daar mee op? Ik heb er na hun overlijden wel met mijn zus over gesproken, haar bedankt voor al haar zorg. Nu zij overleden is, besef ik eerst goed hoeveel dienstbaarder ze bij mijn ouders betrokken was dan ik, hoe trots mijn moeder ook op mijn dichterschap was. Ik schreef voor Jeanne het volgende vers dat ik tijdens een presentatie in Nijmegen heb gelezen in haar aanwezigheid. Later belde ze me op om te zeggen dat ze er blij mee was en dat ik op mijn manier met mijn ouders had meegeleefd. Maar toch..

MIJN ZUS EN IK

Mijn zus en ik, hun zuster en hun zanger,
zij verpleegde ze tot in hun dood en ik,
armzalige Orpheus, ik laat ze eeuwig
ademen in mijn verzen.
Twee-eiig zijn wij elkaars tegenpolen.

Met Sinterklaas drukt zij zich uit in simpel eind-
rijm recht uit het hart, omdat zij niet even
gekunsteld rijmloos kan dichten als ik.

Zij komt in hun hemel, hebben ze voorspeld,
al gelooft zij daar niet in, ik wel.
Ik niet.

Ik sluit af, zusje, al vind ik het moeilijk te verteren dat ik afscheid van je moet nemen, en dat je dadelijk voor altijd weggaat. Dat je me nooit meer op zult bellen, en ‘Wal’ tegen me zegt en op het einde steevast ‘Daag’ zegt zoals ik dat nooit iemand mooier, zachter heb horen zeggen.

Toen je stierf, Jeanne, regende het licht en ik moest denken aan een gedicht van collega dichter Anton Korteweg:

WEGGAAN

Als een auto die lang in de regen gestaan heeft
optrekt en wegrijdt, blijft waar hij stond een
plek achter die zich van de rest van de straat
onderscheidt, even nog, tot hij óók nat is
en niet afzonderlijk meer bestaat.

jean.jpg

In die weggereden auto, je Peugeot, zit jij,  Jeanne. Een tijdje zul je je nog aftekenen tegen de wereld zoals de vorm van de auto in de straat: als een ‘lege plek’. Jij huist niet meer op  Pater M. Wolffstraat nummer 8, er is geen moeder meer van Maud, geen oma meer tussen Amber en Maureen, die altijd op dezelfde dag jarig blijft, geen vriendin meer tussen je vrienden en vriendinnen, geen Jeanne meer in de familie, geen tante meer, geen buurvrouw meer van Henk, nog een lege stoel meer aan de vierkante tafel, geen hoedster van de varkentjes, geen zus meer van mij. Wat féitelijk van je overblijft is je stoffelijk overschot, je as. Maar wie van as is, was.
Wat ónstoffelijk van je blijft, lieve zus, is wat we van jou in ons meedragen. In de betekenis die je hebt gehad voor ons, je familie, je gezin, vrienden en anderen. Zolang je familie, zeker Maud en Arno en je kleinkinderen Amber en Maureen voortleven, blijf jij. En nog een flinke tijd erna, hoop ik. Het menselijk geheugen heeft helaas een beperkte houdbaarheidsduur, zeg maar: onthoudbaarheidsduur. Er komt een dag, dat in jouw straat de droge plek is natgeregend, dat de verdwenen Peugeot uit het straatbeeld verdwenen is, dat alles wat aan jou herinnerde verdwenen zal zijn. Zo gaat dat met bijna alles en iedereen. Maar voor het zover is, ben je om met de woorden van dichter Rutger Kopland te spreken ‘een lege plek om te blíjven’, een lege plek die je onthoudt. Hoe anderen jou bij zich houden, weet ik niet. Ikzelf zal vooral met veel warmte en plezier aan je terugdenken, want die heb ik meer dan eens met je gedeeld.

Daag, zusje.

Walter van de Laar, 19 september 2018

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon