Heuvellezing

in Vluchtheuvelkerk te Zetten
op zondag 15 september 2019
Ik hield een voordracht over mijn werk: Zelfonderzoek.
Las onder andere het prozastuk: Hoor je de zee?

Uitnodiging_heuvellezing.jpg

Annemarie_4.jpg
foto: Annemarie Daalderop

Hoor je de zee?

Tijdens een zomervakantie in 1969 zoek ik nabij Bordeaux het water van de Atlantische Oceaan. Dat ben ik daarna, jaarlijks, soms tweemaal per jaar, onafgebroken, blijven doen tot en met vorige zomer. En altijd min of meer op dezelfde plek, aan de voet van een duin, de zee op gehoorafstand. Ik ging er schrijven. Het verblijf daar, meer dan duizend kilometer van mijn woonplaats Nijmegen, voelde weldra niet alleen aan als een lichamelijk en geestelijk oplaadpunt, de zee voorzag mij steeds ook van gedichten. Zoetjesaan ontwikkelde het schrijfproces zich tot ritueel. Ik kwam steevast met een flink aantal gedichten thuis, al waren ze nooit af en moest ik er nog aan vijlen. En elk jaar kwamen er ook kiezelstenen mee die ik van het strand raapte, waarmee ik de vier punten van het laken waarop ik lag en schreef aan het strand bond. Je vindt ze overal in mijn biotoop: rond de vijver die ik groef, op mijn bureau als presse-papier, op een stapeltje naast het bed waarin ik lees en soms nog schrijf.

Was de zee in aanleg niet meer dan aangenaam om bij te schrijven, geleidelijk aan golfde zij mijn regels binnen tot en met de titels. Niet opzettelijk, ook niet terloops: eerder vanzelfsprekend bij een dichter die de dagelijkse dingen om hem heen tot poëzie verzint. In ‘Vloedlijn’ bijvoorbeeld belt een ik (voor het gemak de dichter) vanuit een telefooncel met zijn moeder:
Nooit moeder zo nabij/ als bij Bordeaux. De cel/ waaruit ik bel, maakt/ nu het vloed is   bijna/water. Ik voed de navel-/ streng van duizend kilo/ meter ouderwets met/ munten. Cijfers geven aan/ hoelang ik nog mag luisteren/ naar adem die mij leven gaf./ De haren in mijn oren rijzen/ van de dingen die zij fluisterend/ kan zeggen nu ik zover weg ben./ Als ik naar vader dreg, bekent zij mij zijn dood vlakbij./ Ik hoor hem sterven in haar stem./ Tweemaal per week spoelt moeder/ aan, ebt vader weg. En ik maar/ staren over zee, mijn droge lippen/ in de schelp van haar oor.

Veel van mijn gedichten liepen waterinfectie op, geruisloos liepen ze vol met water, met verwante beelden en beeldspraak. Er kwam sneeuw in mijn gedichten, ijs, een hangbrug, een bekken, stroom, de moederschoot, oevers, vorst, een veerdienst, polder, een kraan,  het is nooit meer opgehouden. En hoe vaak wilde ik niet het water in als daarginder, en kroop ik tot aan mijn baard in bad, en niet zelden kwam de aanzet van een gedicht zich melden zoals  die van ‘Bedrijvigheid’, het vers waarin ik mijn ars poëtica ontvouw.

BEDRIJVIGHEID

Ik heb veel meegemaakt./Vanaf mijn eerste dag /zocht ik mijn ouders/in mijn ouders tot `hun/ oogopslag vanmorgen./ Ook leefde ik veel levens /tussen vrouw en kinderen,/kreeg steeds kennis aan/ de vrienden die ik had./ Onderwijl bereisde ik/ de halve wereld in mijn/ land, verhuisde aldoor in/ mijn stad en zwierf door/ de vier tuinen van mijn /tuin. Ik keek mijn ogen/uit naar het weekdier/ in mijn dagelijkse bad,/herlas mijn twintig boeken /twintig maal, herschreef/mijn honderd verzen/ onophoudelijk en had lief/ alsof ik nooit had liefgehad.

Mijn oog valt vooral op het intieme, de naaste, de naasten, de dichtbije mensen, de condition humaine in mijn kleine wereld.
Een gedicht schrijven is antwoord willen krijgen op de vraag: hoe ziet dit gedicht eruit? Het antwoord dat het gedicht je geeft, roept nieuwe vragen op. Elk woord roept nieuwe woorden op, elke regel nieuwe regels. Het gedicht schrijft zou je kunnen zeggen zichzelf uit, gaat met je pen aan de haal, alsof je er niet meer toe doet. Het gedicht stuurt je tot het zich vrijgeeft, tot je (het) vindt.

Dichten is nieuwsgierig zijn naar hoe taal wordt wat ze is; fijn achter de tafel zitten en dan onder je vingers een gedicht uit zien groeien. Ik probeer het liefst niet te veel te begrijpen, maar eerder me te verwonderen over hoe een gedicht tot gedicht wordt. Je vindt een gedicht uit, het gedicht vindt jou uit. Wat (in) een gedicht is, is (in) de maker, in mij. Het gedicht was er altijd al, je moest het alleen nog vrijmaken uit de onnoemelijke voorraad taal,  zoals een beeldhouwer een beeld uit het marmer bevrijdt dat hij erin ziet. Kopland schreef er een memorabel gedicht over. Als het af is, zegt het gedicht, het beeld: ja, zo is het goed, hier ben ik, fijn dat je me gevonden, gezien, zichtbaar gemaakt, verbeeld hebt.

Als ik mijn teksten teruglees, ontdek ik daarin de man die deze geschreven heeft. Ik schrijf terdege om erachter te komen, wie ik nu toch wel mag zijn. Het zegt meer over mij dan een spiegel dat doet, een psychiater.
Volgens de Amerikaanse dichter William Carlos Williams  (1883- 1963) ligt de essentie van poëzie in het concrete, particuliere, toegankelijke. Een gedicht kan alleen dan het universele, het hele leven uitdrukken als het vertrekt vanuit de persoonlijke ervaring. Zijn  - overigens filosofische - slogan  ‘no ideas but in the things’ heb ik tot de mijne gemaakt:
ik probeer vanuit een (meestal private) anekdote, een levenservaring of een levensgevoel algemeen menselijke dingen op te roepen in een toegankelijk vocabulaire. In mijn verzen weerspiegelt zich weliswaar mijn leven, maar ook dat van anderen (hoop ik).

Ik ben met mijn ouders in een wagen op weg naar Bergen aan Zee (!), ik lig achterin tegen mijn moeder aan, met mijn oor vlakbij de schoot waarin ik gelegen heb, in dat bekken, de binnenzee waarin mijn tweelingzus en ik een tijdje schommelden. Mijn vader vraagt aan mijn moeder of ze de zee hoort en ook een beetje aan mij, hoewel ze menen dat ik slaap. Ik denk er het mijne van en vraag me af, wat de diepere zin van mijn vaders vraag kan zijn.
Ondanks het feit, dat deze scène zich nooit in de werkelijkheid heeft afgespeeld, dat mijn vader geen auto kon besturen, mijn ouders nooit in Bergen zijn geweest, dus zo’n beetje alles verzonnen is, houd ik vol dat ik daar bij ze in de wagen lig. Want zo heb ik het gewild: wij drieën bij de zee, mijn tweelingzus er nu even niet bij. Ziehier het resultaat:
Wij waren Bergen al voorbij./ Het linnen dak was opgestroopt./ Ik lag languit, mijn hoofd/ in moeders plooien./ Vader reed, geloof ik,/ op de sterren. Na een bocht/ of wat was hij verdwaald./ De maan liet doorschemeren/ dat we midden in/ de duinen stonden./ Zij meenden dat ik sliep./ Hoor je de zee?, vroeg hij./ Zij schoof mij uit haar schoot./ Zij gingen dieper/ in de nacht dan ik kon zien./ Heb ik ooit meer droom bedacht/ voor wat mij werd verzwegen?

Hoewel de scène voorstelbaar is, uit het leven gegrepen, heeft ze nooit plaatsgehad, is ze in  ‘Onderweg’, dat is de titel,  tot leven gekomen, beter: onder woorden gebracht. Waarom wilde dit gedicht, dit tafereel op papier? Waarom een vader die naar zee wilde, verlangde misschien?, terwijl ik me dat niet herinner. 

Zo’n ‘misleiding’ kan ver gaan. In ‘Zandlichaam’ dat ik evenals ‘Onderweg’ opneem in  de bundel Klein Museum (die in1987 verschijnt) is sprake van de gewenste dood van de vader: Ik deed mijn best/ om vader te vermaken,/ begroef hem levend /waar familie bij lag./Ik schiep een lijk van hem,/ hoogde borst en buik/ tot baar. Water naderde,/ik maakte dat hij weg kwam./Golven rolden uit,/ een krans van wier werd/ bij zijn terp gelegd./ Een mummie van een man/ stond uit de dode op,/ begon door zee te waden.

Wat hierboven gezegd is over het waarheidskarakter krijgt hier een vervolg: ook deze scène heeft zich nooit afgespeeld, hoewel die uit de realiteit gegrepen is, ga maar naar een willekeurig strand.
Dit gedicht (waarin misschien wel de dood van de vader gewenst wordt) krijgt zijn uiteindelijke voltooiing in de twee laatste gedichten waarmee de bundel Klein Museum afsluit. Oorspronkelijk had ik een cyclus over de laatste jaren van mijn schóónvader geschreven tot en met zijn dood, maar in de bundel maakte ik er mijn eigen vader van, omdat me dat goed uitkwam: Ik mag nog even/ tussen de gordijnen / zijn stil leven zien./ Onder glas geborgen/in een pak dat hem te wijd zit,/ steken hals en handen/ goeddeels binnen boord./ Hij heeft het blauwe/van een drenkeling./ Vooroverbuigend spiegel ik me/ in het ingelijst gezicht. / Uit één mond zwijgen wij. De cyclus sluit af met: ‘Dag vader’ zeg ik / tegen niemand meer.
Nu wilde het geval, dat mijn moeder tijdens de presentatie van de bundel stomverbaasd  moest vernemen dat haar man, onze vader, gestorven en begraven was, terwijl zij hem springlevend,  nou ja tamelijk beverig thuis had achtergelaten. Zelfs Herman de Coninck die de bundel inleidde wist niet waar hij kijken moest, toen hij dit vernam. Hoe dan ook, in deze gedichten zette ik de feiten naar mijn hand, is er sprake van een illusoire werkelijkheid: zo moest het zijn kennelijk. En weer is er de zee (ook in de metaforiek), het water.

Dubbele misleiding was er, toen ik in de bundel Lippendienst onder het heteroniem Stella Napels gedichten in de ik-vorm afscheidde over een vrouw die terugziet op een relatie. Veel van de gedichten erin hadden in De Revisor gestaan onder de naam van mijn moeder, Mathilde Lippens. Lovende kritiek was haar deel. Toen de bundel uitkwam en mijn identiteit ontdekt werd, voelden de recensenten zich bedrogen. Een ‘ik’ in poëzie wordt nog altijd vereenzelvigd met de maker, anders dan in proza. Dat is de menselijke fout die zowat elke lezer maakt, ook al stemt het geslacht van de maker met dat van de ik overeen. Dichten is zo natuurgetrouw mogelijk liegen.

Op mijn geboortedag kabbelde de Dommel in het Brabantse Boxtel op vijftig meter van mij voorbij. Mooiere naam voor een stroom heb ik nooit ontmoet, nooit kunnen bedenken. Dat mijn moeder, geboren in Scheldestad Antwerpen mij de roepnaam Walter gaf, had ik toen al als omen moeten zien: de l (initiaal van mijn vaders achternaam)  midden in het water. Ik stel me in het ‘Toedracht’ (ook opgenomen in Klein Museum) mijn conceptie als volgt voor:
De dolverliefde man/ die aan de slootkant/ om een meisje draait/  is niemand minder dan/ mijn vader die vandaag/ mijn leven in haar maakt./ Moeder die op haar klompen/ aanvoelt waar het op uitloopt/ dobbert dichter naar de sloot./ Haar hoofd kan daar vol/ rimpels stromen. Haar spiegel-/ beeld gaat door de knieën./Kijk haar onderlijfje/ boven komen drijven. Het had zo kunnen gebeuren, sterker nog: zo had het wat mij betreft móeten zijn. Maar het geschiedde anders in de wereld buiten het vers, heb ik uit de meest betrouwbare bron vernomen.

Op een braderie in park Stapelen, toevluchtsoord van dokterspelende kinderen in mijn Brabantse geboorteplaats Boxtel is in de jaren vijftig een spel gaande waarbij een postillon d’amour meisjes aan jongens koppelt en omgekeerd; ik ontvang in rondborstige letters een aanzoek. Even later ben ik met haar in een van de holtes van de bloeiende rododendrons, en een dag later sidderen mijn armen om haar lijfje op een kano in de Dommel. ‘Ik hou van jou’, galm ik mijn eerste rijmende versregel in de echoput op de binnenplaats van het kasteel dat naar het park is genoemd. Wie die jou was, ben ik kwijt. Misschien weet het water dat nog op te helderen. Vijftig jaar na dato schrijf ik het zo ongeveer uit in het gelijknamige gedicht ‘Stapelen’, maar zelfs wat ik hierboven over de aanminnige ontmoeting beschrijf is bezijden de waarheid, zo had ik het gewild en in het vers gebeurt het ook.

STAPELEN

Op zijn gracht vond je het schaatsen uit, zijn waterput
was je eerste geluidsinstallatie, je zwierde er naar de
maan op de breugeliaanse kermis, verdwaalde in zaagsel-
mozaïeken op processiepaden, kerfde je klein bestaan
in een der reuzen, toetste aaibaarheid in de pikdonkere
holtes van zijn rododendrons. Alles sprookje toen
je buiten je dromen durfde te wedden dat het bestond.

Je ontdekte de Heilige Maagd in haar grot vlakbij en
de geheimenis van het plaatselijk bloedwonder maar
aardser verkeerde je met meisjes van vlees en bloed
spelevarend in een kano op de Dommel, je slangen
van armen meanderend om hun aanbeden lijfje. Soms
verstoorde de suisse je wankel evenwicht, verdreef je
met het eendagsliefje uit je proefondervindelijk paradijs.

Het ligt er nog, je jeugdig landjuweel, onaanzienlijk
Brabants leen sinds je de maat der dingen kent, samen-
raapsel van stijlen en bouwsels waaromheen je leefde,
kantelen voor de vorm om kasteel te heten. Je zou leren
hoe het kind erin opging, de jongen er zich vergat, naar
hun staat geschapen als het was en onveranderlijk bleef.
Je keert er weleens terug om je weer Stapelen te weten.

Volgende scène: de ‘ik’ in het gedicht is ouder, heeft zijn geliefde bij zich nabij de Dommel.
Een ‘zij’ vraagt aan een ‘ik’, haar ooit nog eens lief te hebben in een boot, zoals eens gebeurde. Niet in een willekeurige  maar in de boot van de vader van de ‘ik’ die daarin zijn vrouw lief had. De ‘zíj’ vraagt het niet op het water, maar op het droge van een brug. Voor alle duidelijkheid: de hele scène is verzonnen, mijn  ouders hadden nooit een boot, laat staan wat erin gebeurde. Noch hebben mijn geliefde en ik  -hoe liefdevol de scène ook is – ooit samen in een boot de liefde bedreven.
Het gedicht laat aan mij de zin van de inhoud over, waarom ik het zo opschreef, wat er nu precies staat. Het gedicht met die naam ziet er als volgt uit:
Wij zijn terug op de Zwaanse brug/ waar zij mij vraagt haar ooit weer/ lief te hebben als die middag op de /bodem van de boot waarmee vader/ vroeger op de Dommel moeder naar zich toe roeide./ Vraag het me niet op een brug,/ zeg ik,  maar in een boot die lichter/ dichter over water ligt.

Veel jaren later ben ik weer op Stapelen, nu met mijn zoon die ik leer schaatsen op de bevroren slotgracht: Ik zet mijn zoon op sterk water./ Wij staan tegenover het kasteel./ De ring van ijs slaat/ duizend bruggen tegelijk./ Van de kant af moet hij/ weer staan en lopen leren.
Flauwekul, ik ben daar nooit met mijn zoon geweest, hij is elders opgegroeid, kan nog steeds niet schaatsen. Waarom wilde ik dit? Waarom wilde het gedicht naar het water?

Waarom verhuisde ik in 1984 vanuit het heuvellandschap van Groesbeek (!) naar de Nijmeegse wijk Dukenburg op vijf minuten loopafstand van vennen? Omdat ik de waterkrachtcentrale van de zee was gaan missen die me ‘s zomers inspireerde en ik daar geen genoegen meer mee nam en naar waterrijker terrein verkaste?

Ik woonde sindsdien tussen de Maas, de lieflijke, en de Waal, de rumoerige, inzoomend: tussen de Hatertse en Overasseltse Vennen en het Maas-Waalkanaal. Nog meer inzoomend: tegenover een gracht/sloot met in mijn achtertuin een vijver. Mijn huidige partner leeft zowat aan de Waal, mijn vorige woont vlakbij de Maas.

Vorig jaar werd ik tachtig. En opeens riep me die verre oceaan riep niet meer, ik dempte mijn vijver, verruilde het bad voor een douche, het water van de Atlantische Oceaan voor dat van de Noordzee waar mijn dochter een huisje aan de duinen kocht, surrogaat waarin ik een poosje schuilde in het besef hoe langzaamaan het dichterschap in mij aan het opdrogen was. Mijn uitgever De Arbeiderspers bezorgde mij in april van dit jaar een jubileumbundel met mijn mooiste gedichten. Als een soort slotakkoord, besefte ik.

Zonder reserve kan ik zeggen, dat de zee een groot deel van mijn gedichten heeft los-geweekt die me bewust gemaakt hebben van haar betekenis: motor van mijn verbeelding, hartslag van mijn verzen, toegang tot mijzelf. Je bent je gedichten zoals de zee haar kiezels is, echo’s uit een put.                               

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenCircuit des SouvenirsKeer dan het getij en schrijf!SchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon