Bethlehem 2008

bethlehem

bethlehem-gedicht1

bethlehem-gedicht2
(kalligrafie: Evert van Dijk)

Bethlehem: is geschreven ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan van hospice Bethlehem te Nijmegen, door Evert van Dijk gekalligrafeerd, onthuld op 16 mei 2008; in de kapel bevindt zich een boogvormig altaarretabel met twee door Jan Toorop op hout getekende engelen aan weerszijden van het tabernakel; daar bevindt zich ook het Gedenkboek. In 2010 werd een mapje met 8 ansichtkaarten uitgegeven van en door het Hospice Bethlehem, Sint Anthoniusplaats 10, Nijmegen. Op de achterzijde staat het gelijknamige gedicht Bethlehem.

Klik hier voor DE GENESE VAN ‘BETHLEHEM
(PDF opent in een nieuw venster)

bethlehem1

bethlehem2

Onthulling buiten door weduwe en dochters van Piet Hooghof, 9 juli 2010

bethlehem3a

Riny Jans, Intiem bestaan, Hfdst IV, uitgeverij Flanor, Nijmegen 2019.: Een ooggetuigenverslag, 1 december 2007-18 januari 2008

Hfdst. IV : OP WEG NAAR BETHLEHEM.
De geboorte van een gedicht


Rust. Dat is wat Victor Vroomkoning nodig heeft als er een gedicht in hem duwt. Muizenissen in zijn hoofd zitten hem daarbij niet in de weg. Maar als de muis een olifant wordt, zoals bij liefdesverdriet, dan zwijgt zijn pen.

Hij gaat er niet bewust voor zitten zoals sommige dichters doen. ‘Leonard Nolens heeft een dagelijks stramien, Rutger Kopland had een schuurtje in zijn tuin waar hij zich met grote regelmaat terugtrok om te dichten. Herman de Coninck ging jaarlijks tien dagen met Benno Barnard naar de Ardennen om verzen te schrijven. Ik schrijf  mijn gedichten doorgaans waar het uitkomt, meestal in een van de leunstoelen in mijn huis.’


Als Walter van de Laar, zijn familienaam, is hij  alles tegelijk: vader, echtgenoot, minnaar, docent, praatjesmaker, wielerkenner, tuinman, enzovoorts.  Is hij met het schrijfproces doende, dan is/heet hij Victor Vroomkoning, het pseudoniem waarmee hij zijn activiteit als schrijver benoemt tussen andere bezigheden. Vroomkoning schrijft gedichten, Van de Laar niet.

Hij vindt zichzelf een dichterlijk levend mens met alledaagse bezigheden. In die alledaagsheid blijft hij tegelijkertijd een man die met verwondering naar de wereld kijkt en zijn dichtersoog en -oor onbewust  op scherp heeft staan. Graag zou hij als volwassene kunnen kijken met de ogen van een kind. Met ontroering ziet hij hoe zijn kleinzoon vol aandacht speelt met de veter van opa’s schoen. ‘Als ik op mijn leeftijd zoiets zou doen zou men mij ‘kinds’ noemen. Eigenlijk is dat precies wat ik bedoel: des kinds blijven in de zin van: ontvankelijk zijn voor wat zich dagelijks ontvouwt. Dat onbevangen kijken hebben de meeste volwassen verloren, verleerd. Voor kunstenaars is dat onontbeerlijk.’

Hij kan plotseling geraakt worden door een zin in de krant, een gesprek in de trein, een  advertentie, een bijzondere gebeurtenis. ‘Dan borrelt de gedachte op: hé, daar zit wellicht een  gedicht in.’ Zo’n poëtische opwelling  legt hij onmiddellijk vast in het bruine notitieblokje inclusief potlood dat hij altijd bij zich heeft. Het zijn zinnen, maar soms ook losse woorden, afhankelijk van wat zich aandient. Die worden in de loop van enkele weken tot maanden uitgebouwd tot een gedicht. ‘Menig vers geeft zich langzaam prijs. Het is er eigenlijk al, maar moet nog worden vrijgemaakt, de woorden moeten nog op hun plaats vallen.’ Vanzelf gaat dat niet. Het is de dichter die vorm moet geven aan wat zich aandient; hij is toch vooral een ambachtsman, vindt Vroomkoning. Inspiratie is onmisbaar, maar voor de genese, zeker voor de voltooiing  van een gedicht is constructie  zeker zo onontbeerlijk.


Voor de laatste stadia van een gedicht zet hij zich aan het toetsenbord en voor het scherm. Dan is volstrekte eenzaamheid geboden. Geen geliefde om hem af te leiden, muziek mag. Geen vaste componist, geen vast muziekstuk zoals sommige schrijvers willen, alleen de noodzakelijkheid van het alleen zijn. Wil een gedicht zich soms schoorvoetend prijsgeven, dan kan  ijsberen – titel van een van zijn bundels[1] - wel eens helpen  om het schrijfproces  vlot te trekken. Een fietstochtje is óók een optie. Niet een willekeurig rondje maar een vast parcours waar niet van wordt afgeweken.

Vroeger had hij net als Lucebert een woordenboek of synoniemenwoordenboek binnen handbereik  ‘Daar ben ik vanaf gestapt, ik heb het niet meer zo nodig. Een woord moet  vanzelf boven komen, denk ik tegenwoordig. Een enkele keer nog neem ik mijn toevlucht tot het woordenboek als ik echt verlegen zit om het juiste woord. Een gedicht moet bijvoorbeeld qua beeldspraak kloppen. Als ik in een vers een schipper op zee als beeld van een mens gebruik zal ik daarmee samenhangende woorden trachten te vinden, beeldspraak  die  overeenkomt met de wereld van de roerganger.’

Wat hij nog altijd moeilijk vindt is bepalen wanneer het gedicht af is. ’Ik heb de indruk dat het gedicht dat zelf doet, dat het voor mijn gevoel zegt: nu is het wel genoeg laat me los. Als het gedicht niet meer aan me trekt, als ik er niet meer naar verlang, is het wat mij betreft af. Het klinkt wat zweverig maar bij mij werkt het zo. Soms blijft het vers onaf, dan wil het niet verder en houd ik ermee op. Jammer van de inspanning, van mij én van het gedicht, maar het zij zo.’


Worsteling

Hoe hij met een vers kan worstelen legde Vroomkoning  - hij was toen stadsdichter – vast aan de hand van het gedicht Bethlehem, de naam van een hospice in het voormalige klooster ‘Huize Bethlehem’, een gemeentelijk monument in het centrum van Nijmegen. Stap voor stap noteerde hij de ontstaansgeschiedenis van het gedicht. Aanleiding was het vijfjarig bestaan van het hospice in mei 2008.

Vroomkonings worsteling met het vers zat ‘m niet zo zeer in de emotionele lading van de opdracht, ook al ging het om een plek waar mensen aan het eind van hun leven verblijven en afscheid moeten nemen van alles wat hun dierbaar is. Het zat ‘m vooral in de vorm – wordt het een sonnet? – en het middenstuk. De geschiedenis van het pand moest erin, dat was zeker, maar wat en hoe? Hij kwam eruit, na zes weken schrijven, schrappen, herschrijven en weer terugkomen op zijn schreden. Medio januari 2008 gaf het gedicht zich in zijn definitieve vorm prijs, op 16 mei 2008 werd het in huize Bethlehem in papieren vorm onthuld, fraai gekalligrafeerd door Evert van Dijk. Weer later, op 9 juli 2010 werd het buiten aangebracht, rechts naast de toegang tot de tuin. Mede ter herinnering aan Piet Hooghof (1943-2009), de eerste voorzitter van de Werkgroep Literaire Bakens Nijmegen waarvan Vroomkoning lid is. 

[1] Vroomkoning, V. (1999). IJsbeerbestaan. Amsterdam Antwerpen, Arbeiderspers.

 

Een ‘ooggetuigenverslag’.

DE GENESE VAN ‘BETHLEHEM’:  1 december 2007 – 18 januari 2008


1 december 2007

Over een week of drie is het Kerstmis, geschikt moment voor een gedicht over Bethlehem, om precies te zijn over Hospice Bethlehem in Nijmegen.

Een oud-collega is er opgenomen. Ik bezocht hem een aantal malen, raakte terloops geboeid door het gebouw, zijn geschiedenis en zijn huidige bestemming. Na een gesprek met Tineke van de Pas, de coördinator van het hospice, besloot ik een gedicht aan het hospice te wijden en dat klaar te hebben voordat het in mei 2008 vijf jaar bestaat. Daarvoor dook ik in de relevante literatuur, hoewel ik nog niet wist of ik die wel nodig zou hebben. Een gedicht gaat tenslotte zijn eigen weg. Inmiddels heb ik me voldoende ingelezen en kan ik met de aanzet beginnen.

Vanaf het eerste moment viel mijn oog op de ligging van het hospice: het gebouw steekt vanaf de Waalkade gezien boven alle daken zijn nek uit; van binnenuit heb je een fenomenaal uitzicht op de Waal, de brug die eroverheen ligt, de Lentse overkant, en vanaf een andere zijde kijk je tegen de Stevenstoren aan. Zinvolle plek om te sterven, want dat doe je daar.

Vanaf de aanzet heb ik in mijn achterhoofd, dat het gedicht de verbinding tussen leven en dood moet bevatten, aangestuurd door het woord Bethlehem. Ook zullen het water en de brug, zeer oude symbolen, waarop de bijna-doden kunnen uitkijken, een rol moeten spelen.

En ik begin met de eerste regel: Mooier uitzicht om te sterven kun je niet bedenken.

Ik doel op de brug, de overkant, het derde land, de overzijde waarheen de ‘gasten’ zoals de patiënten in het hospice genoemd worden, op weg zijn. De Waal als Styx. De meesten verblijven er hooguit een paar maanden voordat ze uit het leven vertrekken. Later preciseer ik het en komt het tot een strofe:

Boven kijkt men op de brug uit
die het water overspant. In een dag
of dertig, veertig, is men aan de
overkant. De klok zal luiden als je
hier vertrekt, je zolen recht vooruit.

Ik zit een beetje met dat ‘je’ want hiermee verplaats ik me in een van de ‘gasten’. En wil ik dat wel?

8 december 2007

Een tijdje niet aan het gedicht gewerkt. Maar vannacht riep het me en kwam ik op de gedachte een intro in de eerste strofe te willen; een entree als het ware vanuit de stad naar omhoog, vanuit de drukte naar de rust van het huis. En zo schrijf ik ( ik schrijf dit alles met pen op losse vellen) binnen een paar uren de volgende strofe bijeen.

De heuvel tilt je uit de drukte van de stad
de stilte om het huis in. Smal is het klinkerpad,
hemelhoog het dak. Wie hier als gast de drempel neemt
weet dat de dood in korte tijd zijn leven claimt.

De bedoeling is dat je de 1ste en 2de regel in bijna één adem leest, zodat je als lezer als het ware wordt opgetild naar het hospice.

Smal is het klinkerpad kan ik nu schrijven, allusie op een frase uit de Bergrede van Jezus in het Nieuwe Testament (‘smal is de weg’). Al met al kan dit er mee door. De regellengte bevalt me echter niet. Ik houd ervan de regels in een strofe ongeveer eenzelfde lengte te geven. Er is hier ook volrijm, tegen mijn gewoonte in; ik bezig doorgaans assonantie (klinkerrijm) omdat dat minder opvallend rijmt. Wel moet dan het geslaagde rijmpaar neemt en claimt het veld ruimen. Ik ga aan de slag. Eerst de regellengten ordenen:


Klinker in klinkerpad kan weg zodat de desbetreffende regel even lang wordt als de eerste:

De heuvel tilt je uit de drukte van de stad
de stilte om het huis in. Smal is het pad

Deze strofe klinkt nu zo:

De heuvel tilt je uit de drukte van de stad
de stilte om het huis in. Smal is het pad
hemelhoog het dak. Wie hier als gast de drempel neemt
weet dat de dood in korte tijd zijn leven claimt.

Nu heb ik wel de lengte van regels 1 en 2 op elkaar afgestemd, maar zijn de regels 3 en 4 nog  niet daarmee in overeenstemming, integendeel zelfs.

Dus ga ik sleutelen in regel 3: hemel in hemelhoog lijkt me overbodig, hoewel hemel hier niet misstaat:

hoog het dak. Wie hier als gast de drempel neemt
weet dat de dood in korte tijd zijn leven claimt.

Hoe ziet het er nu uit?:

De heuvel tilt je uit de drukte van de stad
de stilte om het huis in. Smal is het pad, 
hoog het dak. Wie hier als gast de drempel neemt
weet dat de dood in korte tijd zijn leven claimt.

Nee, dat is me nog niet goed genoeg. Als ik nu klinker weer introduceer?

De heuvel tilt je uit de drukte van de stad
de stilte om het huis in. Smal is het klinkerpad, 
hoog het dak. Wie hier als gast de drempel neemt
weet dat de dood in korte tijd zijn leven claimt.

Ja, dat is beter, en misschien kan ik de 1ste regel nog wat oprekken, bijvoorbeeld met oude of binnen met stad te verbinden, tenslotte is Nijmegen een oude, zelfs de oudste stad van Nederland.

De heuvel tilt je uit de drukte van de binnenstad
de stilte om het huis in. Smal is het klinkerpad, 
hoog het dak. Wie hier als gast de drempel neemt
weet dat de dood in korte tijd zijn leven claimt.

Ja, dit is voorlopig goed genoeg, vooral omdat ik binnen en klinker onder elkaar laat assoneren; mooi paar: binnenstad/ klinkerpad. Daarmee haal ik ook wat nadruk weg bij het volrijm van stad en pad. Misschien moet ik vrede hebben met het volrijm in deze strofe. Wat dat voor de rest van het gedicht betekent weet ik nog niet.

Zonder dat ik daar op gelet heb, is de jambe in het vers geslopen: mijn favoriete versvoet (metrum). Wat nu opvalt is dat Smal en hoog uit dat ritme vallen (antimetrie) wat de beide woorden nadruk geeft, wat mijn bedoeling is.

Heb een halve dag aan Bethlehem gewerkt, morgen verder.

11 december 2007
Het loopt tegen de avond als ik het gedicht herpak.

De 2e strofe stond al op papier, ik herlees:

Boven kijkt men op de brug uit
die het water overspant. In een dag
of dertig, veertig, is men aan de
overkant. De klok zal luiden als je
hier vertrekt, je zolen recht vooruit.

en probeer die over 4 regels uit te strijken want het gedicht lijkt op een sonnet aan te sturen, niet mijn favoriete vorm.

Boven kijkt men op de brug uit die het water
overspant. In een dag of dertig, veertig, is men aan
de overkant. De klok zal luiden als je hier vertrekt,
je zolen recht vooruit.

Het zou mooi zijn als overspant enjambeert, door-/overloopt.
Dus:
Boven kijkt men op de brug uit die het water over-
spant; wat dit woord zegt, gebeurt ook in het gedicht: het overspant (in dit geval: twee regels).

Probleem is nu dat ik, wil ik vast houden aan het volrijm, gebonden ben aan over. 
In een dag of dertig, veertig is men aan de over-
kant.
zou kunnen, dat is wel 2x maal hetzelfde. Dat moet anders, al gaat dat ten koste van het enjambement:

Boven kijkt men op de brug uit die het water overspant.
In een dag of dertig, veertig, is men aan de overkant.

Resumé:

De heuvel tilt je uit de drukte van de binnenstad
de stilte om het huis in. Smal is het klinkerpad, 
hoog het dak. Wie hier als gast de drempel neemt
weet dat de dood in korte tijd zijn leven claimt.

Boven kijkt men op de brug uit die het water overspant.
In een dag of dertig, veertig, is men aan de overkant.

Kan wel, zo. Voorlopig. Nu verder.
 De klok zal luiden als je hier vertrekt, je zolen recht
vooruit.

Ik wil een (volle) e-klank in plaats van recht wegens neemt en claimt in de 1ste strofe.
De klok zal luiden bij je vertrek, Toorops engelen geven
vrijgeleide

In de kapel van het hospice staan aan weerszijden van het altaar twee houten engelen van Jan Toorop. Ik moest hieraan denken, tegelijk aan een frase uit een gedicht van Ida Gerhardt. Ik neem graag woorden/frases uit het werk van anderen over om me in de canon van de poëzie te nestelen of om een tribuut te brengen aan de desbetreffende dichter. In de kapel ligt het Gedenkboek waarin de namen van de in het hospice overledenen staan opgetekend. We hebben nu:

De heuvel tilt je uit de drukte van de binnenstad
de stilte om het huis in. Smal is het klinkerpad, 
hoog het dak. Wie hier als gast de drempel neemt
weet dat de dood in korte tijd zijn leven claimt.

Boven kijkt men op de brug uit die het water overspant.
In een dag of dertig, veertig, is men aan de overkant.
De klok zal luiden bij je heengaan, Toorops engelen geven
vrijgeleide, je naam wordt in het Gedenkboek bijgeschreven. 

De versvoet is in het begin van de 2e strofe de trochee, later in het gedicht komt de jambe weer op, maar onregelmatig. Ik weet niet of ik me daar veel van aan moet trekken. Het rijm vind ik wel in orde, al is geven/geschreven vrouwelijk glijdend eindrijm in tegenstelling tot het mannelijk eindrijm van de overige regels. En wat dan nog? hoor ik een vrijmoedige stem van mijn beter ik.
Nog een onnauwkeurigheid: de ene keer men, de andere keer je; daar moet ik een oplossing voor vinden. Moet ik wel vanuit een min of meer stervende het hele gedicht schrijven?

Ik laat dit rusten, ga me nu concentreren op het sextet, want het is duidelijk dat het gedicht naar een sonnet toe wil; wat moet in de laatste 2 strofes gezegd? Iets over de tegenstelling tussen vroeger (kraamverpleging) en nu (stervensbegeleiding)? Maar moet dat juist niet in de eerste twee strofes en dan toewerken naar het onontkoombaar einde in het hospice?

In de hal van het hospice is de volgende tekst te lezen, vraag is of ik er iets mee moet.

De hoeksteen van dit nieuw gebouw
dat Bethlehem zal heeten
is Jesus, Die in vreugd en rouw
ons één met Hem zal weten.

Van wie de tekst is, weet ik niet. Gezien de spelling is die niet van gisteren. Wat vrijwel direct opvalt is het woord ‘rouw’, de dichter had een voorziene geest; sinds dit gebouw als hospice  in gebruik is, is het een soort voorportaal van de dood. De nabestaanden zal die niet koud laten.
Ik neem de eerste strofe weer onder handen. De heuvel vervang ik door Een heuvel, er zijn immers meer van deze klimmetjes in Nijmegen( zeker in de omgeving: de zeven heuvelen.) Om toch iets van de couleur locale te behouden voeg ik oude toe aan binnenstad en ongelijke aan klinkerpad en keert hemel weer terug in hemelhoog.
In de laatste regel laat ik de dood korte metten maken: als gast overleef je hier hoogstens een paar maanden. De metten waren de eerste van een reeks gebeden uit het getijdenboek die iedere gewijde geestelijke dagelijks moest bidden. Dat zal zeker in het verleden hier het geval zijn geweest.
De regels in strofe 1 zijn door deze wijzigingen iets verlengd. Ik wil consequent de regels in strofe 2 hiermee in overeenstemming brengen en zoek daarvoor mogelijkheden. Ik voeg brede  en laatste toe bij respectievelijk water en overkant. Ten slotte vervang ik men door je, mutatis mutandis, waardoor ik de beide eerste strofen vanuit een ‘gast’, het point of view, ‘vertel’.

resumé:

Een heuvel tilt je uit de drukte van de oude binnenstad
de stilte om dit huis in. Smal is het ongelijke klinkerpad, 
hemelhoog het dak. Wie hier als gast de drempel neemt
weet dat de dood korte metten met je maakt voor hij je claimt.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of dertig, veertig, ben je aan de laatste overkant.
De klok zal luiden als je heengaat, Toorops engelen geven
vrijgeleide, je naam wordt in het dik Gedenkboek bijgeschreven. 

Het is diepe nacht als ik ermee ophoud. Moet niet vergeten na te denken over samenhangende groep woorden: water/Styx?/dood/overkant.

14 december 2007
Ben niet te spreken over de 1ste strofe.

Ik wil een ander woord voor drukte; leven is veel toepasselijker; binnenstad vind ik ineens te neutraal, daarom: Waalstad wat preciezer is voor Nijmegen. Het stille vind ik adequater dan de stilteom het huis, algemener, intenser. Het doelt ook op de gemoedstoestand straks en op de overtreffende trap van stil: de dood. Het huis laat ik terugkomen in hemelhoog het huis.

Ik ben vanochtend nog eens gaan kijken bij het hospice; de doorgang naar het huis is smal, wat me nu brengt op Smal is de doorgang, wat evenals Smal is het pad verwijst naar de Bergrede ( ‘nauw is de poort ‘ ) naar het laatste pad waarbij ik klinker laat vallen; de regel krijgt door laatste meer lading. Daarom schrijf ik ook: over de drempel raakt (wie dat nog kan).
Regel 4 wil ik ook anders; de gast komt binnen en begroet de dood die hem als het ware staat op te wachten. De dood is hier weliswaar onontkoombaar maar zacht, als een vriend. De paradox tussen zachte en korte metten maken vind ik daarom op zijn plaats. Zachte duidt op de palliatieve zorg die je in het hospice ontvangt; korte metten maken is nog eens om een andere reden op zijn plaats: we bevinden ons hier in een voormalig klooster waar de metten werden gebeden (daar komt de uitdrukking ook vandaan trouwens). Korte metten: als gast heb je een uitzicht van hooguit een paar maanden, meestal korter. Door zachte toe te voegen maak je de komst van de dood humaner.

Doordat de nieuwe regel 3 met raakt eindigt is een a-volrijm in regel 4 noodzakelijk, wat eenvoudig lukt door voor hij je claimt weg te laten. En opeens merk je dat nu alle regels in strofe 1 met een a-klank eindigen. Je neemt afscheid van het rijmpaar neemt en claimt. Het vers ziet er nu zo uit:

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in het stille. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie als gast over de drempel raakt
begroet de zachte dood die korte metten met je maakt.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of dertig, veertig, ben je aan de laatste overkant.
De klok zal luiden als je heengaat, Toorops engelen geven
vrijgeleide, je naam wordt in het dik Gedenkboek bijgeschreven.

Plotseling kom ik tot een belangrijke constatering: de 2e strofe lijkt me zeer geschikt als afsluitende strofe. Ik had al een vermoeden van het ontstaan van een sonnet; wel, als dat het gedicht wil, moet ik tussen deze twee strofen twee terzinen ontwerpen om aan 14 regels te komen. Dat het dan een afwijkende vorm heeft (4-3-3-4 in plaats van 4-4-3-3 of 4-4-4-2) neem ik voor lief. Ik zal er een nachtje over slapen.

15 december
Het is een dag later als ik het gedicht weer ter hand neem. Ik ga werken aan de twee nieuwe strofen, de twee terzinen.

In de eerste terzine wil ik iets zeggen over de historie van het pand. Mogelijk behoorden delen ervan tot het Heilig Geesthuis dat tot 1592 functioneerde als hospitaal en armenhuis. In 1927 werd het aangekocht door de Zusters Dominicanessen van het Allerheiligst Sacrament. Het pand kreeg de naam Huize Bethlehem: de zusters richtten zich in eerste instantie op de kraamzorg voor de arme arbeidsvrouwen uit de benedenstad in Nijmegen. Later legden zij zich toe op zorg voor gevallen vrouwen, ongetrouwde moeders, gezinszorg en meisjesonderricht:‘De armoede kroop met de verwaarloosde kinderen langs de hellende straatjes en stegen’ volgens een verslag van een van de zusters. Naast hun sociale taken hadden zij ook religieuze verplichtingen.


Ik probeer:

Hier woonden nonnen die kinderen uit moeders haalden,
gevallen meisjes op de been hielpen. Missiewerk vlakbij
huis.

Dat lijkt me de verkeerde toon. Veel verder kom ik niet. Dan maar de 2de terzine aangepakt.
Hierin wil ik een blik op de huidige situatie in het pand tegenover de voormalige in de 1ste terzine. Die ken ik van bezoeken en uit gesprekken. Men bekommert zich sinds 16 mei 2003, toen de eerste ‘gast’ hier binnentrad, om zieken voor wie thuis sterven niet wenselijk of niet mogelijk is. Het heet hier nu Hospice Bethlehem, de zusters zijn verdwenen, leken voeren het bewind en verlenen de zorg. Elke van de maximaal 10 gasten kan in vertrouwde omgeving sterven, want zijn/haar kamer is ingericht met spullen uit zijn/haar eigen biotoop. De medewerkers, op een enkeling na vrijwilligers, begeleiden de gasten zo individueel mogelijk. In de Huiskamer kan men gemeenschappelijk verkeren, in de kapel kan men zich bezinnen.

Ik ga aan de slag en laat de 1ste terzine even voor wat die is.

Nu heeft men zorg voor de opgegeven mens die het heden
met het eeuwige verwisselt in zijn verbeelding reisjes
maakt naar waar hij was, naar waar hij zal zijn toegetreden.

Afgezien van het onregelmatig metrum is er wat rijm betreft omarming (heden – treden), wat goed past bij de inhoud: hier omarmt men zieken. Maar het is nog verre van af, voel ik. Laat me nu de 1ste terzine nog eens bekijken, misschien dat ik nu verder kom. Ik fabriceer:

Hier leefden nonnen die in het arme kind van de beneden-
stad dat van Bethlehem verzorgden, gevallen meisjes
op de been hielpen. Missiewerk in ruil voor hun gebeden.

Geprobeerd om de betekenis van Bethlehem in het gedicht uit te dragen: dat zich in de zorg van de nonnen voor het armeluiskind hun liefde voor het kindeke Jezus weerspiegelt. Missiewerk in ruil voor hun gebeden (r.7) klinkt berekenend, wat ik niet wil. Aardig vind ik het enjambement beneden-/stad omdat je ook lezend naar beneden gaat. Tevreden ben ik over het rijmschema: evenals in de 2e terzine heb ik in deze terzine omarmend rijm en bovendien in dezelfde klanksoort: beneden - gebeden – in navolging van heden – toegetreden en daartussen meisjes -reisjes. Het metrum is weer onregelmatig.
Na een paar uur wil ik voor het eerst het totale overzicht, het sonnet onder ogen. Ik schrijf het helemaal uit en zet er Bethlehem boven. Zomaar, uit de losse pols, waarom ook niet?

BETHLEHEM

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in het stille. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie als gast over de drempel raakt 
begroet de zachte dood die korte metten met je maakt.

Hier leefden nonnen die in het arme kind van de beneden-
stad dat van Bethlehem verzorgden, gevallen meisjes
op de been hielpen. Missiewerk in ruil voor hun gebeden.

Nu heeft men zorg voor de opgegeven mens die het heden
met het eeuwige verwisselt in zijn verbeelding reisjes
maakt naar waar hij was, naar waar hij zal zijn toegetreden.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of dertig, veertig, ben je aan de laatste overkant.
De klok zal luiden als je heengaat, Toorops engelen geven
vrijgeleide, je naam wordt in het dik Gedenkboek bijgeschreven.

Tja, het is ontegenzeglijk een sonnet, hoewel in een wat vreemde constellatie; ook het metrum is niet helemaal volgens de regels en het rijmschema is veelbelovend maar nog niet helemaal rond. Ik ga om te beginnen de laatste twee regels zodanig wijzigen dat ze eindigen op een a-klank overeenkomstig raakt en maakt in de eerste strofe. Ik doe een poging:

Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek draagt
je naam als de klok luidt en men je uit Bethlehem wegdraagt.

Laat me dat verenigen met het eerste kwatrijn :

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in het stille. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie als gast over de drempel raakt 
begroet de zachte dood die korte metten met je maakt.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of dertig, veertig, ben je aan de laatste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek draagt
je naam als de klok luidt en men je uit Bethlehem wegdraagt

We hebben nu het rijmschema:
in de beide kwatrijnen: a  - a  / aa  - aa (gepaard)
in de beide terzinen: ee   -  ei -  ee ( omarmend)

Dat klinkt al beter.
Tevreden sluit ik deze dag af.

20 december 2007

Straks slapen we in de langste nacht, over een paar dagen wordt Het Nieuwe Licht geboren, wat mij ertoe brengt het woord baren te overwegen. Is in strofe 1 in het stille niet te algemeen, is in je stille zelf niet beter? En is ontwaart (r.4) niet beter dan begroet; klinkt dat laatste niet te blij?
Er zijn meer woorden die me niet bevallen, zoals zorg (strofe 2) wegens verzorgen in strofe 1.
Ik ga eerst de tweede strofe te lijf:

Hier leefden nonnen die in het arme kind van de beneden-
stad dat van Bethlehem verzorgden, gevallen meisjes
op de been hielpen. Missiewerk in ruil voor hun gebeden.

Na wikken en wegen wijzig ik de syntaxis van de eerste zin:

Hier verzorgden nonnen in het arme kind van de beneden-
stad het kind van Bethlehem, hielpen ze gevallen meisjes
op de been. Missiewerk uit een rijker rooms verleden.

Vervolgens is het de beurt aan de derde strofe:

Nu heeft men zorg voor de opgegeven mens die het heden
met het eeuwige verwisselt in zijn verbeelding reisjes
maakt naar waar hij was, naar waar hij zal zijn toegetreden.

De nieuwe versie is na een half uur peuteren klaar; ik schrijf kommer in plaats van zorg en bovendien vervang ik verbeelding door kamer. Bovendien voeg ik voor de regellengte al maar toe. Ik laat de gast in zijn kamer naar/in zichzelf reizen, een soort introspectie, terugblik op zijn leven. Gekoppeld aan het vooruitzicht: naar waar hij straks wordt weggereden. Een en ander mondt uit in:

Nu heeft men kommer om de opgegeven mens (de bijna dode?) die het heden
met het eeuwige verwisselt in zijn kamer al maar reisjes
maakt naar wie hij was, naar waar hij straks wordt weggereden.

Ben nog niet tevreden over weggereden; andere varianten:
naar waar hij zal zijn overleden
naar waar hij zal zijn ingetreden?   
Ten slotte verander ik de laatste strofe; eerst de oude versie:

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of dertig, veertig, ben je aan de laatste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek draagt
je naam als de klok luidt en men je uit Bethlehem wegdraagt

Wegens laatste pad wijzig ik laatste overkant in verste overkant; omdat ik baart wil, moet draagt het veld ruimen en ontstaat als vanzelf: uit vaart dat hier veelbetekenend is; dan is ook meteen de doublure (weg)draagt vermeden, ongedaan gemaakt. Ten slotte vervang ik Bethlehem door huis wegens overdaad ( Bethlehem in de titel en in strofe 2. Huis is hier passend, omdat het pand vroeger Huize Bethlehem heette, bovendien voelen de gasten zich hier thuis in hun eigen kamer.
Tijdens het uitschrijven van het hele vers kom ik opnieuw op andere gedachten die ik hier en daar verwerk in de tekst. Ineens is daar Missiewerk uit een rijker rooms verleden wat het werk van de zusters verstaanbaar maakt. Ook vind ik voor de 3e strofe de frase: naar wat straks wordt betreden. Terugkerend probleem blijft het ‘point of view’: van waaruit wil dit gedicht geschreven: vanuit een bijna-dode (in de kwatrijnen) of vanuit een alwetend verteller (in de terzinen)?

BETHLEHEM

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in je stille zelf. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie als gast over de drempel raakt
ontwaart de zachte dood die korte metten met je maakt.

Hier verzorgden nonnen in het arme kind van de beneden-
stad het kind van Bethlehem, hielpen ze gevallen meisjes
op de been. Missiewerk uit een rijker rooms verleden.

Nu heeft men kommer om de opgegeven mens die het heden
met het eeuwige verwisselt in zijn kamer al maar reisjes
maakt naar wie hij was, naar wat straks wordt betreden.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of dertig, veertig ben je aan de verste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek baart
je naam wanneer de klok luidt en men je dit huis uit vaart.

21 december 2007
Na een nachtje slapen (nou ja..)‘s morgen om 06.10 uur weer bij het gedicht; tot de ontdekking gekomen dat er nogal wat aan hapert, bijvoorbeeld het Fremdkörper in de tweede strofe: de gevallen meisjes; die doen er niet toe in het vers, dus zullen ze moeten wijken. Ik los dit zo op:
Hier leefden nonnen, in het arme kind van de beneden-
stad het kind van Bethlehem verzorgend van het kraambed
tot en met de schoolse jaren. Missiewerk als vrome opdracht.

Hier ben ik tevreden over, al weet ik niet of de laatste zin het houdt.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om in je stille zelf weer te vervangen door in de stilte (r.2); weet niet of dat toch niet beter is. In Wie als gast over de drempel raakt is gast overbodig, dat spreekt hier vanzelf. Ik voeg genade aan drempel toe. Genade hier tegengestelde (of als paradox) van korte metten. Genadedrempel is een neologisme.

BETHLEHEM

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in de stilte. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie over zijn genadedrempel raakt
ontwaart de zachte dood die korte metten met je maakt.

Hier leefden nonnen, in het arme kind van de beneden-
stad het kind van Bethlehem verzorgend van het kraambed
tot en met de schoolse jaren. Missiewerk als vrome opdracht.

Beter zo? Qua inhoud wel, maar voor de vorm heeft dit consequenties: het rijmschema ligt nu overhoop. Dat betekent dat ik de 3e strofe op dit punt aan moet pakken, wat ook de inhoud zal veranderen. Zo is het steeds: vorm en inhoud beïnvloeden elkaar. Rijmdwang kan je op een ander spoor zetten. Zoals hier. Daar gaan we:

Nu heeft men kommer om de opgegeven mens die het heden
met het eeuwige verwisselt, vluchten makend uit zijn bed
naar wie hij is geweest, naar wat hij straks  verwacht.

Vluchten kan niet meer, je kunt ze wel bedenken. Daarstraks nog een bezoekje gebracht aan het hospice. Mijn oud-collega heeft de houdbaarheidsdatum van drie maanden overschreden en zal dus moeten vertrekken, hoe zeer hij het ook naar zijn zin heeft. Hij kan weer terugkeren als het hem minder goed verloopt. Ik stel de jaartallen in de laatste strofe bij.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of vijftig, zestig ben je aan de verste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek baart
je naam wanneer de klok luidt, je dit Bethlehem uit vaart.
De dag was kort, ik heb er even genoeg van. Tot morgen, vers!

De hoeveelste is het nu?

Toch weer Bethlehem in de laatste regel teruggebracht, en een ingrijpende wijziging doorgevoerd in het uiterlijk van het vers ten einde het verschil in perspectief aan te geven.
Om te tonen dat de 1e en 4e strofe ( de kwatrijnen) over een ’gast’ gaan en de 2e en 3e (de terzinen) over de geschiedenis buiten hem om, zet ik de terzinen in cursief en iets verder van de kantlijn.
Nog een kleine wijziging daarbij: heeft men kommer wordt: bekommert men zich.
Van nu af aan schrijf ik het gedicht niet meer op, maar tik ik het uit op het toetsenbord.

BETHLEHEM

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in de stilte. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie over zijn genadedrempel raakt
ontwaart de zachte dood die korte metten met je maakt.

-  Hier leefden nonnen, in het arme kind van de beneden-
stad het kind van Bethlehem verzorgend van het kraambed
tot en met de schoolse jaren. Missiewerk als vrome opdracht.

Nu bekommert men zich om de opgegeven mens die het heden
met het eeuwige verwisselt, vluchten makend uit zijn bed
naar wie hij is geweest, naar wat hij straks  verwacht. -

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of vijftig, zestig ben je aan de verste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek baart
je naam wanneer de klok luidt, je dit Bethlehem uit vaart.

of andersom:

BETHLEHEM

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in de stilte. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie over zijn genadedrempel raakt
ontwaart de zachte dood die korte metten met je maakt.

-  Hier leefden nonnen, in het arme kind van de beneden-
stad het kind van Bethlehem verzorgend van het kraambed
tot en met de schoolse jaren. Missiewerk als vrome opdracht.

Nu bekommert men zich om de opgegeven mens die het heden
met het eeuwige verwisselt, vluchten makend uit zijn bed
naar wie hij is geweest, naar wat hij straks verwacht. -

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of vijftig, zestig ben je aan de verste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek baart
je naam wanneer de klok luidt, je dit Bethlehem uit vaart.

Ik vind het rijm kraambed en bed aan het einde van de middelste regel in beide terzinen niet fraai. Ik probeer kraambed en kamerbed waardoor het dragelijk wordt. De twee vormen overigens een onopvallende klankassociatie met Bethlehem.

BETHLEHEM

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in de stilte. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie over zijn genadedrempel raakt
ontwaart de zachte dood die korte metten met je maakt.

- Hier leefden nonnen, in het arme kind van de beneden-
stad het kind van Bethlehem verzorgend van het kraambed
tot en met de schoolse jaren. Missiewerk als vrome opdracht.

Nu bekommert men zich om de opgegeven mens die het heden
met het eeuwige verwisselt, vluchten makend uit zijn kamerbed
naar wie hij is geweest, naar wat hij straks verwacht. -

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of vijftig, zestig ben je aan de verste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek baart
je naam wanneer de klok luidt, je dit Bethlehem uit vaart.

In het weekend voor Kerstmis weer flink dichtend, corrigerend, verwerpend etc.

Strofe 2: Missiewerk is altijd vromeopdracht, dus tautologisch. Ik maak ervan missiewerkin eigen land: oxymoron, stijlfiguur die ik mét de paradox niet zelden gebruik. Opeens stemt land overeen met overspant en overkant in de laatste strofe. Dat vraagt om dezelfde eindklank in de 3e strofe. Daarin moet ik peuteren: opgegeven mens vind ik ineens minder fraai, lelijk zelfs, liever naaste, ook wegens de christelijke connotatie. In plaats van bekommeren, kommer hebben liever zich ontfermen, dat goed bij naaste past. Vluchten makend offer ik op voor al maar reizend naar; ten slotte waarom het allemaal begonnen is: land (strofe 2) roept: naar waar hij binnenkort belandt (strofe 3) op, waarmee ook deze regel rijmt met overspant en overkant in de laatste strofe. De laatste regel van het gedicht heb ik leesbaarder gemaakt.

BETHLEHEM

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in de stilte. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie over zijn genadedrempel raakt
ontwaart de zachte dood die korte metten met je maakt.

Hier leefden nonnen, in het arme kind van de beneden-  
stad het kind van Bethlehem verzorgend van het kraambed
tot en met de schoolse jaren: missiewerk in eigen land.

Nu ontfermen leken zich over de naaste die er het heden
met het eeuwige verwisselt, al maar reizend in zijn kamerbed
naar wie hij is geweest, naar waar hij binnenkort belandt.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of vijftig, zestig ben je aan de verste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek baart
je naam wanneer de klok luidt en je Bethlehem uit vaart.

23 december 2007

De dagen spoeden zich naar het einde van het jaar; ze zijn kort, ik moet met de uren woekeren, buig me op de late ochtend van 23 december over Bethlehem.
Ben toch weer ontevreden over allerlei dingetjes:
In de 2e strofe wil ik leefden kwijt; nu opper ik: begonnen nonnen; hierdoor wel weer flinke tangconstructie: begonnen nonnen…. te bedrijven. Dat impliceert nieuw rijm: land moet het veld ruimen voor bedrijven, en dat geeft weer reactie in strofe 3 waar belandt zal moeten wijken voor een ij-klank: bijv. blijven: was nog niet tevreden over: missiewerk in eigen land; dat is misschien nu opgelost. Ook naaste vervangen door medemens.

BETHLEHEM

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in de stilte. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie over zijn genadedrempel raakt
ontwaart de zachte dood die korte metten met je maakt.

Hier begonnen nonnen, in het arme kind van de beneden-  
stad het kind van Bethlehem verzorgend van het kraambed
tot en met de schoolse jaren, missiewerk te bedrijven.

Nu ontfermen leken zich over de medemens die er zijn heden
met het eeuwige verwisselt, al maar reizend in zijn kamerbed
naar wie hij is geweest, naar waar hij straks zal blijven.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een dag of vijftig, zestig ben je aan de verste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek baart
je naam wanneer de klok luidt en je Bethlehem uit vaart.

Ik vervang op de valreep nog: In een dag of vijftig, zestig door
Binnen een paar maanden.

Ik stop nu, want het kerstfeest dient zich aan, Bethlehem nu ook op de televisie,
in de krant, hier in huis. Overal!

28 december 2007

Vandaag het Feest der HH Onnozele Kinderen; ik diep Bethlehem op uit de bestanden:

BETHLEHEM

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in de stilte. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie over zijn genadedrempel raakt
ontwaart de zachte dood die korte metten met je maakt.

Hier begonnen nonnen, in het arme kind van de beneden-  
stad het kind van Bethlehem verzorgend van het kraambed
tot en met de schoolse jaren, missiewerk te bedrijven.

Nu ontfermen leken zich over de medemens die er zijn heden
met het eeuwige verwisselt, al maar reizend in zijn kamerbed
naar wie hij is geweest, naar waar hij straks zal blijven.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
Binnen een paar maanden ben je aan de verste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek baart
je naam wanneer de klok luidt en je Bethlehem uit vaart

Het vers lijkt zo goed als af.  Wat ervan te zeggen? De bouw doet aan een sonnet denken, maar is allerminst klassiek, ook het rijmschema is niet conform de voorschiften hoewel er veel klankovereenkomst valt te beluisteren. En het metrum?  Navenant: een niet regelmatige afwisseling van jambe en trochee. Wel een fijn leesbaar ritme. Al met al een product van een dichter die het vooral van zijn beelden moet hebben en zeker op de inhoud let. Voel ik me meer vent dan vormgever?
Ik vind het goed zo.

 

Begin 2008

Ik leef anderhalve week in 2008 als het gedicht gaat knagen.

De tweede strofe loopt niet door de tangconstructie ( hier begonnen nonnen  …..missiewerk te bedrijven) die het lezen bemoeilijkt. Ik besluit die op te heffen waardoor het rijmschema moet worden gewijzigd. De nonnen moeten gespecificeerd: dominicanessen dus. Nu opeens ontevreden over allerlei woorden: bedrijven niet mooi; beter plegen; 2x kind overbodig; kraambed moet het veld ruimen voor bakermat (enkele nonnen waren bakers; bakermat heeft bovendien ruimere betekenis dan kraambed); schoolse jaren moet wijken voor het openbare leven, waarmee ik verwijs naar het openbare leven van Jezus in het Nieuwe Testament.
In de derde strofe moet blijven wijken voor wezen in verband met rijm (plegen/leven/heden) en omdat het beter in de context past. Nog een paar overbodigheden ruim ik op: medemens en kamerbed. Ook beter: reizend van wie hij is geweest naar…
In de 4e strofe vervang ik Binnen een paar maanden door In een ommezien. Mooier want meerduidig. Onder de titel ‘Ommezien’ zal mijn verzameld werk dit jaar verschijnen.

Het lijkt wel alsof er een heel nieuw vers is ontstaan. Dat heb je ervan als je een gedicht een tijdje (al is het anderhalve week) hebt laten liggen. Je kijkt en oordeelt als een vreemde en handelt ernaar. Bethlehem lijkt herboren.

BETHLEHEM

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in de stilte. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie over zijn genadedrempel raakt
ontwaart de zachte dood die korte metten met je maakt.

Hier begonnen dominicanessen missiewerk te plegen,
in het arme kind van de benedenstad dat van Bethlehem
verzorgend van de bakermat tot aan het openbare leven.

Nu ontfermen leken zich over de mens die er zijn heden
met het eeuwige verwisselt, al maar reizend in zijn bed
van wie hij is geweest naar waar hij straks zal wezen.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een ommezien zul je verdwijnen naar de laatste overkant.
Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek baart
je naam wanneer de klok luidt en je Bethlehem uit vaart.

Dat is toch wel zo’n beetje wat het moet zijn. Nog één wijziging: het laatste kwatrijn haal ik uiteen, om aan te geven dat er tijd ligt tussen de eerste twee regels en de laatste twee. Nu is het af. Een sonnet werd het dus niet, hoeveel moeite het gedicht/ik? ook deed. We schrijven inmiddels 18 januari 2008. Op 16 mei zal het onthuld worden. Dan ziet het er zo uit:

BETHLEHEM *

Een heuvel tilt je uit het leven van de oude Waalstad
in de stilte. Smal is de doorgang naar het laatste pad,
hemelhoog het huis. Wie over zijn genadedrempel raakt
ontwaart de zachte dood die korte metten met je maakt.

Hier begonnen dominicanessen missiewerk te plegen,
in het arme kind van de benedenstad dat van Bethlehem
verzorgend van de bakermat tot aan het openbare leven.

Nu ontfermen leken zich over de mens die er zijn heden
met het eeuwige verwisselt, al maar reizend in zijn bed
van wie hij is geweest naar waar hij straks zal wezen.

Boven kijk je op de brug uit die het brede water overspant.
In een ommezien zul je verdwijnen naar de laatste overkant.

Toorops engelen geven vrijgeleide, het Gedenkboek baart
je naam wanneer de klok luidt en je Bethlehem uit vaart.

*  bij het vijfjarig bestaan van Hospice Bethlehem in Nijmegen
16 mei 2008

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenKeer dan het getij en schrijf!Circuit des SouvenirsSchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon