Verzen voor Vroomkoning

oja

Dirk de Hond, O Ja uit: ‘Parmentier’ jrg. 12, no 2, juli 2003.

O ja
voor Stella Napels

O Stella was je van steen
backend in de hete zon, baksteen
dus zaten wij gebakken want
ik ben op jou, bezit je

voor altijd smelten wij samen
in het bonkend ritme van de muur
sinds ik me voor ons heb
hardgemaakt

en nat en plakkend op je glijd
door een vreemde hand geleid
O Stella wij zitten gebeiteld
zijn wij gebakken

Hannie Rouweler: De Muze uit: ‘Open Doek, Sluiers’, Demer Uitgeverij, België, 2009.

De Muze
voor Victor Vroomkoning


Examens die je moest doen en al die toetsen
die je zelf afnam, van meisjes met helderblauwe
ogen, witte tanden, donker lang haar: je zou ze
allemaal wel een 8 willen geven, dichter, terwijl
je zelf stuntelt en jezelf uit hardnekkige
bezweringen van liefdevolle armen bevrijdt.
Ik zag je staan, aan een tafel, met een glas bier
na afloop van een middag poëzie, over sonnetten,
een aktentas op de grond, een onderzoekende
blik naar wat voorbij liep in die zaal en ik wilde
dat je mijn broer zou zijn. Gewoon een broer
en verder niets, om mee te praten, te lachen, delen.
Ik werd een geliefde in taal en moeilijke woorden
en spleet meervoudige betekenissen in ongelijke
stukken daar, vroeger, daarna. Ik joeg in jou
de muze op de vlucht. Ze woont nu weer aan
het water, de bodem is vochtig en koud in de avond.
Het cijfer is gehaald, net over de sloot, en zwetend
word je wakker in de ochtend om al die beelden
die zich vermengen met bloemen op bed, de kamer
van je vader op de begane grond, het tikken van regen
tegen het raam, de verhuiswagen vol oude troep,
vale foto’s uit het verleden, de leraar die je
naar voren roept en in het Frans vraagt: wanneer
leefde Baudelaire? Wie schoot op Rimbaud?
Je moeder wacht je op met spek en macaroni
en vraagt: hoe was het op school? Je pakt je boeken
bij elkaar en vlucht naar boven, schrijft je dagboek
vol, en leert woorden in het Engels uit je hoofd.
Opnieuw een examen, alsof je op reis gaat. De juf geeft
je een 5. Je had niets van de stof begrepen, je vergat
het overzicht en verborg je hoofd tussen haar borsten,
je hand gleed onder haar rok, je verloor je verstand
tussen haar benen en ze gaf je weer een onvoldoende.
Er volgen bijlessen, in de tuin. Elke dag moet je nablijven.
Je vader heeft geen tijd, bakt broden, je moeder werkt
in de winkel, en jij droomt van benen. Je droomt je leven
weg tussen dijen totdat je oud zult zijn. Elke zin vloeit
over van verlangen om bij je meisje te zijn, het kind
dat je voor het eerst op straat zag, toen je bij je tante
in Antwerpen logeerde. Ze had een paardenstaartje, ook
wel eens een vlecht in het haar. Soms zag ze er uit als een
volwassen vrouw, maar haar handen zijn klein, donshaar
op haar armen. Zij is het die je tot dichter maakt, tovenaar
in de nacht. Orpheus die de zee inloopt naar de branding
van zijn hartstocht, de golf die hoog opslaat, vernietigt.

Jan van de Bovenkamp, Een Victorversje uit het Walterpsalter, gelezen op 13 mei 2014 bij de uitreiking van de Koninklijke onderscheiding aan Walter van de Laar/Victor Vroomkoning

Een Victorversje uit het Walterpsalter

Hij zag het eerste licht in Boxtel bij de bakker,
de vader stond te zingen aan de trog.
Zijn zorg was “panem nostrum quotidianum”,
de moeder gaf hem borstenvol met weelderig Vlaams zog.

Zij zag al snel: “Ooit wordt mijn prins een koning,
een man van weinig woorden, dichter, bard.”
De vader hield het nog op koekenbakker.
Zij kreeg gelijk, maar zweeg en sloot het in haar hart.

Het is niet zo maar, in een ommezien, gebeurd.
IJsbeerbestaan, zijn lot en tevens taak.
Zijn reislust heeft hem op de been gehouden.
Zo zocht hij, bij verstek, naar de verloren spraak.

Hij heeft zich slechts één keer aan lippendienst bezondigd.
Verwarring in het land: “Wie is dat mens ?”
Hij was het zelf met al zijn mooie, lieve vrouwen
Misschien een lang verborgen travestietenwens.

De echo van een echo zingt een lied in het klein museum,
het einde en de einders tegemoet.
De laatste dingen heeft hij als oud zeer beschreven,
met zere knieën stapelen, maar ook met veulenbloed.

Zo blijft hij gaande gaan, gedreven door verlangen.
Niet toe, nog lang niet, aan zijn laatste boek.
Nog zo veel moois te zien en dus te zeggen
Gevoed door moedermelk en vaderkoek

Het deeg is woord geworden en gerezen in zìjn vorm.
Zijn poëzie als teunisbloemen in het avondlicht.
Zijn bundels liggen nu te pronken bij Selexyz.
Hij heeft, dank je wel Walter, veel naar ons toe-gedicht.

Wam de Moor: Paardenpaar onder Dalfsen (ongepubliceerd)

Paardenpaar onder Dalfsen
voor Victor

Victor Vroomkoning: Een hengst
doodstil achter schrikdraad,
zijn hals leeg, zijn ogen vol
van die naast hem in de wei stond.

Rutger Kopland:
hoe afwezig de ene zijn hoofd over de nek
van de ander legde, ze elkaar zachtjes
beten, liepen alsof ze elkaar al jaren
volgden zonder te zien

Door vele dichters overdicht:
het paardenpaar. De merrie dromerig
zich van gevaar noch geile
nadering bewust; de hengst
gerust op wat er volgen gaat,
oneindig melancholiek in
de perceptie van de dichter
om het vergezicht dat hij bevat,
terwijl zijn zwarte ogen zijn
gericht op waar ver weg weide
overgaat in bosgebied en
waar het water blikkert achter
de grazige weiden. Hij legt het af
en wendt het edel hoofd, tot
het zich neerbuigt naar haar nek
en zich daar zachtruig strelend
strekt.

Zij plooit haar lippen en briest
even. Dankbaar en goed gebekt.

Chrétien Breukers: Ouders hebben levenslang

Ouders hebben levenslang
voor Victor Vroomkoning

Maar langer nog dan levenslang
hebben hun kinderen. Hoor ze
tieren naar de wolken, zie ze
schrijven met verbeten smoel:
verzen waar het bloed in woelt.
Ouders hebben het gemakkelijk.
Ze gaan dood. Dan is het op.

Wij gaan verder. Zullen onze
wonden likken, wees zijn,
onze afkomst eerst verloochenen
en dan weer machteloos omarmen,
schrijven dat de tijd geen vat
mag hebben; zullen onze kinderen
behoeden voor – voor wat?

Ouders hebben levenslang.

Foto
voor Victor V.
 
Zoals je in een beeld iets vindt
wat nooit bestond en er toch is.

Die aanblik van verloren tijd,
de kledingstukken die met

herinneringen, geuren en
verdriet achterbleven in een huis.

Oog in oog met iets tastbaars
dat zich raden laat,

wat van een ander bij jou is
gebleven. Een vermoeden, een gevoel

dat alles wat je tot nu toe deed
anders had gekund. Altijd, en elders.

7 oktober 2002 (dag na mijn 64ste verjaardag)

Dichter Heidi Koren schreef onder de titel Waar het wit breekt 5 gedichten naar 5 gedichten van mij in Gebroken wit.

Zij las ze tijdens de presentatie van Gebroken wit op 27 januari 2018

 

Waar het wit breekt

I

Neem mij

Om het contrast zo groot mogelijk te maken, droeg ik alleen nog maar zwart. Voor de rest deden we alles in het wit.

De bardame begreep dat feilloos. Ze tapte de kragen van het bier hoog en liet haar rood benagelde hand net iets te lang liggen op de glazen die ze ons voorzette.

’s Nachts hield je de hotelkamerdeur voor me open terwijl je verlegen het kunststoffen laminaat bestudeerde. Dat je een tweede kamer had geboekt voor het geval ik niet naast je wilde liggen, zei je.

Ik lachte je uit, wierp mijzelf in het oneindige wit en wachtte ongeduldig tot je al het zwart van mij af zou trekken.

Er waren lijven die sliepen en lijven die hun best deden op te gaan in alles dat niets was.
Daarbuiten wisten we heus wel dat het niet altijd zo blijven zou.

II

Zie ons aan

Zie ons liggen met huiden die misschien niet zo strak meer, niet meer puntgaaf, met vellen die zich langzaam overgeven aan de natuurwetten en jij die je best moet doen overeind te blijven.

Jouw bril op het Ikea-nachtkastje waarin de Bijbel die we nooit gelezen hebben en ook nu niet zullen openslaan.

Iedereen weet al hoe het moet en hoe niet en hoe dat laatste toch zo veel beter smaakt.

Drie sanseveria’s floreren op de vensterbank. Ze zijn jaren geleden al vervangen door plastic van de Xenos omdat de huishoudelijke hulp ze toch altijd te veel water gaf.

Het is half vier zegt mijn telefoon. De maan smijt brutaal haar licht door de kieren in de gordijnen en ik druk mijn echte leven weg, kruip naar de warmte van al jouw holtes.

Er komt nog één hele dag na deze. We moeten er nú voor zorgen dat het kraakheldere beddengoed breekt. Dat we diepe sporen trekken in de lakens. Dat we voldoende opgaan in het wit om het niet meer te vergeten.

Kom dan maar, zeg je. Kom dan maar.

III

De ander

In de weken die volgden nadat we thuis waren gekomen, ik jou had afgezet en uit jouw koffer alles had gegrist dat van mij was, een blik had geworpen door het huis waar jouw echte leven op je had gewacht en onbedoeld de lieve notitie aan je vrouw had zien hangen, begon het te sneeuwen.

Vanuit mijn appartement op de dertiende verdieping zag ik hoe alles waar ik niet naartoe wilde, zachtjes voor me werd verstopt. Ik bakte pannenkoeken voor mijzelf en huppelde met mijn vingers een paadje door de poedersuiker. Het was zo eenvoudig dat er tranen van groeiden op mijn netvlies.

Aan de telefoon braken we om beurten beloftes alsof het serviesgoed was. Af en toe wat gekletter en daarna was het stil.

IV

Buiten mij om

Wat ik je eigenlijk zeggen wil, heb ik net gezegd. Aan de andere kant van de lijn
blijft het stil. Ik steek een sigaret op.

De halve maan kijkt op me neer. Schuldig zit ik in de hoek van het balkon op het bankje dat nooit gelakt werd en waarvan één plank mist, mijn ochtendjas tot aan mijn hals dicht gevouwen maar wel,
op blote voeten.

Aan je adem hoor ik hoe je bijna wilt ophangen. Ik stel een vraag waarop je alleen een lang antwoord kunt geven.

Mijn poëzie wil je graag leren kennen, zeg je maar
overvliegende vogels tel je niet.

V

Wat dacht je wel?

Als ik werkelijk nooit meer aan je denk, sneeuwt het opnieuw. Ik denk niet aan je terwijl ik het onder mijn voeten laat kraken en ik denk niet aan je als ik uitglijd en toch sowieso nooit zou hebben gewild dat je me had opgevangen.

Aan het einde van al het wit, stroomt de grijze rivier.
Ik kan zien dat ze de pest in heeft vandaag. Ze heeft zich in de nacht vol gezopen en leeg gekotst op de oever.
Tussen de Pepsi-fles, de volgezogen bloemkool en de droogtrommel ga ik zitten om een sigaret te roken en tel de seconden dat het duurt voor de natte sneeuw tot in mijn onderbroek is doorgedrongen.

Dan loop ik terug naar huis over mijn eigen voetstappen. Het wit is gebroken, zo vind ik gemakkelijk de weg terug.

 

Voor mijn lieve vriend Victor, bij zijn 80ste verjaardag.
Met veel liefs en mooie herinneringen aan de tijd
waarin we allebei onze eerste gedichten schreven
en voorzichtig begonnen te publiceren…………….

WOORDEN

Ik zag wat je schreef in een droom
die ik had en bedacht dat ik wist
wat het was.

Maar hoe ik ook keek, niet te volgen
je hand die bewoog en maar schreef
op het blad dat er lag.

Totdat alles verdween en
de morgen ontwaakte, de zon
zich liet zien aan de dag.

Geen woord kwam terug uit de nacht.

Johanna Kruit

Kroonjaar van een dichter

foto_1_12.jpg
(voor Victor Vroomkoning)

Wie Victor Vroomkoning langer dan een dag kent
weet dat hij dichter is. De dichtkunst spat van al zijn
gedichten. En eerlijk is eerlijk: het is goed en knap werk
wat hij schrijft. Niet elke dichter weet zo fijngevoelig en
vakkundig tegelijk diverse woorden op een rij te zetten.
Vroomkoning heeft een extra antenne in zijn pen zitten
en een verborgen camera. Met de precisie van een scherp
afgestelde telescoop weet hij iets te raken in de roos.

Nu genoeg hierover. Nu de roos. Dat Vroomkoning gek is op
vrouwen is een gegeven wat niet onderschat moet worden.
De dichter is gewoon een vrouwengek. Op zijn Amerikaans
noem je dat lady killer, womanizer. Dat komt door elegantie
van zijn taalgebruik en de grote hoeveelheid toelichtingen
en armgebaren die zijn rondborstige ziel omhullen. Geheim
is dat er veel appels aan zijn bomen hangen. Hij heeft smaak
in een gezonde eetlust. Grote welgevormde borsten zijn

aan hem besteed. Geef hem een foto. Geef hem een muze
en hij schrijft spiegels vol sierletters op het tabernakel van
de liefde. Zijn weemoed is zijn kruis. Zijn overgevoeligheid
is zijn lijden. Daarom kroon ik de dichter Victor Vroomkoning
met gouden stofdeeltjes die over zijn hoofd worden verspreid
als zandkorrels in de woestijn. Hij is een man. Hij is een dichter.
Hij heeft het lang volgehouden in zijn herenhuis met tuin en
vogels in de bomen. De rozenstruiken aan de muren bloeien.

Hannie Rouweler
(Leusden, 2017 / 2018)

Voor mijn tachtigste verjaardag ontving ik Vloedlijn, Liber Amicorum
waarin zo’n 50 dichters mij een gedicht aanreikten.
Omslag_vloedlijn_google.jpg

Vrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenKeer dan het getij en schrijf!Circuit des SouvenirsSchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon