Mathilde Lippens/ Stella Napels

In de huid van een vrouw, Hoofdstuk III uit Riny Jans, Intiem bestaan, over de poëzie van Victor Vroomkoning, uitgeverij Flanor, Nijmegen 2019.
Front_intiem-bestaan.jpg
Hoofdstuk 3. IN DE HUID VAN EEN VROUW

September 1994. In De Revisor[1], letterkundig tijdschrift voor Nederland en Vlaanderen,  verschijnen vijf gedichten van de tot dan toe onbekende dichteres Mathilde Lippens. In haar gedichten zet ze meteen de toon: geen gedraai om de hete brij, maar de dingen bij de naam noemen:

RECONSTRUCTIE

Ik houd hem in de zomer vast hoewel
met geen tekstverwerker te beschrijven,
met geen beschrijving te verwerken
maar wat moet ik tegen foto’s die even

goed liegen? We liggen op een laken,
wak in de wei want mak zal het gaan.
Ik laat hem fluisteren over het ruisen
van halmen, doe hem talmen aan de

sluiting van mijn jurk. Tot zover moment-
opnames van het sprookje van de maagd.
Maar dan zijn beten in mijn hals

zijn hoeven aan mijn dijen, zijn
hinnikende kloten, schuimende hengst.
Ik onder hem barstensvol vlees en bloed.

Enkele maanden daarvoor had de redactie van De Revisor de geachte mevrouw Lippens laten weten dat men de door haar ingezonden gedichten met belangstelling had gelezen en er een keuze uit had gemaakt. ‘De gedichten … zullen in een van de komende nummers van De Revisor worden geplaatst’, meldde men de debuterende dichteres.

Vreugde alom in huize Lippens.

[1] De Revisor, jrg. 21, nr. 4, 1994.

Aan die blijdschap was wél een dispuut met De Revisor vooraf gegaan.

Mathilde Lippens voelde er, nu publicatie op til was, bij nader inzien toch meer voor haar gedichten te ondertekenen met een andere naam. Ze opperde Ellen Ditmar,

maar dat was volgens de redactie een naam van niks. Op 30 juni 1994 probeerde redacteur Jacob Groot de debutante in een lange brief ervan te overtuigen gewoon haar eigen naam te verbinden aan komende publicaties.  Verwezen werd naar de dichters Bernlef, Schippers en zelfs Pessoa. Het tweede argument luidde kortweg: ‘Het door u gekozen pseudoniem vinden wij niet mooi.’ Het pleidooi voor het handhaven van de naam Mathilde Lippens rondde Groot af met een hoogstandje voor intimi: ‘Wij beseffen dat het hierbovenstaande bovenal geringe overtuigingskracht heeft als het vergeleken wordt met de grote kunstzinnige waarheid dat de personages van de verbeelding, onder wie ook het ‘ik’, of zelfs met name het ‘ik’, tot de wereld van de fictie behoren, ver verwijderd van die van de maatschappelijke kontekst van elke mogelijke auteursnaam.’

Helemaal onderaan de brief sloot Groot af met een op het sentiment spelend P.S. in recht-door-zee Nederlands: ‘Je laatste gedichten hebben we zojuist ontvangen: onze reactie is enthousiast. Maar doe, echt, gewoon je eigen naam erbij, en je zult er geen seconde spijt van hebben.’

Mathilde Lippens, vereerd met haar debuut in De Revisor, ging overstag.

Enkele maanden later was het wéér raak. Eind van dat jaar bracht de redactie van De Revisor een speciaal nummer uit met wat zij noemde Dé Poëzie van dat moment[1]. Daarin opnieuw de naam van de  prille dichteres, nu tussen namen van gerenommeerde dichters als Dirk van Bastelaere, Elma van Haren, Hans Tentije, Elly de Waard en H.H. ter Balkt. Drie van haar gedichten, met een duidelijk erotische inslag, stonden uitdagend afgedrukt naast een foto van een braaf, oerhollands gezin, de schoenen gepoetst, de zondagse kleren aan, moeder aan tafel met drie koters, de bloes hoog gesloten. Vader wat afzijdig op een stoel, besmuikt kijkend in de lens.

Brutaal

Wie zijn gedichten de wereld inbrengt, weet dat een streng oordeel van recensenten wacht. Daarom had Mathilde Lippens aanvankelijk geaarzeld met het benaderen van literaire uitgevers. Hoe zouden haar gedichten ‘vallen’ in het recensie-circuit? Waren ze goed genoeg of zouden ze worden afgedaan als aardige maar mislukte pogingen?

Toch was ze de uitdaging aangegaan en had op meer paarden tegelijk gewed. Stuurde ze De Revisor voorzichtigheidshalve nog maar énkele gedichten,  naar uitgeverij  BZZTôH, uitgeverij de Harmonie en uitgeverij Querido ging zelfs een hele concept-bundel. De titel: Soortelijk Gewicht.

Toen was het wachten op de reacties. De Revisor had al toegehapt. BZZTôH reageerde eveneens positief: ‘… het zijn thematisch sterk samenhangende gedichten die voelbaar maken dat ze geschreven moesten worden.’ Tot zijn spijt moest redacteur Koos Hageraats echter  laten weten dat, hoewel de gedichten hem bijzonder aanspraken, er in zijn fonds geen ruimte (meer) was voor poëzie.

[1] De Revisor, jrg. 21, 5/6, 1994.

Wel volgde een voorstel. Eind februari 1995 zou er een Diversennummer verschijnen, met plaats voor enkele gedichten van de jonge dichteres.[1]

Of het een wat brutaal spel van haar was of niet: Mathilde Lippens vroeg zich in haar antwoord af of zij er goed aan deed op dat voorstel in te gaan. Aarzelend zei ze toe, maar het Diversennummer van BZZLLTIN, het literaire tijdschrift van uitgeverij  BZZTôH,  verscheen zonder door haar geschreven verzen.

Even slikken

Leidde uitgebreide correspondentie met Querido, de Harmonie en BZZTôH over Lippens’ ingezonden eerste concept-bundel Soortelijk Gewicht tot niets, De Revisor bleef enthousiast over haar werk en wilde graag meer gedichten van haar publiceren. Bovendien besloot het Davidsfonds/Clauwaert uit Leuven in de eenendertigste bloemlezing ‘Gedichten 1995’ werk van Lippens op te nemen.

Ook literair tijdschrift Maatstaf had de dichteres inmiddels ontdekt. Op 22 juni 1995 liet de redactie  weten twee gedichten op te nemen in het juninummer. ‘Wilt u’, vroeg Maatstaf-redacteur a.i. Aart Aarsbergen ‘ zo vriendelijk zijn per omgaande een korte biografie van ca. 10 regels op te sturen?’. Lippens liet weten in 1952 te zijn geboren in Antwerpen en in Nijmegen te wonen.

In nummer 3 van dat jaar trakteerde de redactie haar lezers op vijf gedichten van Lippens, waaronder Ladekast[2]:

LADEKAST

Zijn mond keurt elke nerf,
elke noest zijn tong,
zijn vingers zitten aan
mijn hang- en sluitwerk.

Hem oordeel ik
waar hij zijn loper
in mij drijft

Het enthousiasme bij  Maatstaf bleek groot. Peter Nijssen, redacteur van Maatstaf en poëzieredacteur bij De Arbeiderspers, kwam woorden tekort om de gedichten de hemel in te prijzen.  ‘Het zijn vitale, striemend-sarcastische, vileine en krachtige gedichten in een zeer eigen idioom’, had hij Mathilde Lippens al op 21 november 1995 laten weten, een mening  die hij, zo liet hij weten,  deelde met directeur Ronald Dietz.’ ‘Woorden als ‘troetelmoeder’, ‘hittebestendigster’, ‘fluitketelend’, geile spin’, ‘zaadziek’, ‘mijn hang- en sluitwerk’ in deze meedogenloze context – dáár val ik voor. Mentale zweepslagen zijn het.’ Graag zou hij meer gedichten van Lippens ontvangen. ‘Ligt er’, zo vroeg hij in dezelfde brief, ‘ … nog meer bij u in de la? Ik zou graag eens willen bekijken of een bundel van een stuk of veertig van uw gedichten ook veertig zweepslagen oplevert die mij, bij elkaar

[1] Brief 16 november 1994.

[2]Maatstaf, jrg. 44, nr. 3, 1996.

opgeteld, uitgeteld en verslagen door bewondering, op de keukenvloer doen neerzijgen. Zo’n bundel zou wellicht een fraai, nieuw en schril geluid kunnen toevoegen aan de zo vriendelijke en bedeesde Nederlandse poëzie.’

Zal ik Soortelijk gewicht dan naar De Revisor sturen? overwoog Lippens. Ze aarzelde. Waarom haar bundel elders was afgewezen was onduidelijk. De meeste uitgevers hadden zich er met een standaardbrief vanaf gemaakt. Alleen de kleine uitgeverij In de Knipscheer die ook een verzoek tot publicatie had ontvangen, had het lef gehad open kaart te spelen. ‘Hoewel weinig op uw poëzie is aan te merken, ‘klikt’ het o.i. net niet met ons steeds kleiner wordend poëziefondsje.’, schreef Franc Knipscheer op 28 november 1995. ‘De metaforen zijn goed en zeker origineel, en de gedichten ademen volwassenheid uit. Naar ons idee zal een collega-uitgever eerder publikatie overwegen indien er verbreding komt in onderwerpkeuze (en derhalve niet beperkt blijft tot seksualiteit en daarmee samenhangende woede).‘ Zijn advies: probeert u het eens bij tijdschriften als ‘Lust en Gratie’, ‘Mens en Gevoelens’  of de vrouwenbladen ‘Opzij’ en ‘Viva’.

Of Mathilde Lippens blij mee was met deze suggestie? Ze besloot het voorstel naast zich neer te leggen.

Had Franc Knipscheer in de gaten dat het hier ging om metaforische gedichten, maar of dat ook gold voor Margot Engelen? Op 19 januari 1996 schreef zij zonder nadere toelichting in haar rubriek Literaire tijdschriften van de NRC: ‘Een kleine verrassing in dit nummer (De Revisor nr. 6, 1995, red.) zijn de twee gedichten van Mathilde Lippens, over  de hond van de jager. ‘Ik ben die teef, geschoren, afgericht, moet/braaf zijn, pootjes geven, kloten likken./ Eens bijt ik me vast in wat hem drijft.’ Het citaat was een strofe uit het gedicht ‘Elke dag’:

ELKE DAG

Elke dag zie ik hem aan, de snor van oor
tot oor, de kuitbroek, aan zijn hoed
een veer, een arm voor de zweep, een arm
voor de lijn waarmee hij aan zijn hond rukt.

Was ik dat dier, ik wenste me een meesteres
die lief en veilig, wars van jachtgenot
zich aan mij gaf, mij uitliet naar
de sloot waar ik mijn spiegelbeeld zag

uitgespaard in kroos, vlinders rond mijn oren,
vissen aan mijn poten, eenden voor mijn
snuit en kattenstaarten vleiend om mijn staart.

Ik ben die teef, geschoren, afgericht, moet
braaf zijn, pootjes geven, kloten likken.
Eens bijt ik me vast in wat hem drijft.

Bekentenis

Was Mathilde Lippens inmiddels bij enkele literaire tijdschriften bekend en werd haar werk gewaardeerd, de kwaliteit ervan was al wat eerder ook over de grens opgevallen. Zo zeer zelfs dat de jury van de driejaarlijkse Blanka Gyselen-prijs, een Vlaamse poëzieprijs, liet weten haar die prijs te willen toekennen voor het manuscript Soortelijk Gewicht dat zij had ingezonden. De prijs zou op 15 december 1995 worden uitgereikt in museum mw. J. Dhondt-Dhaenens in Deurle, deelgemeente van Sint-Martens-Latem, vlakbij Gent. In het programma zou na de pauze de burgemeester van Sint-Martens-Latem een woordje spreken, waarna het verslag van de jury zou volgen en de prijs zou worden uitgereikt aan de laureaat. Mathilde Lippens werd geacht tijdens de prijsuitreiking een voordracht te houden.

Het juryrapport loog er niet om. De leden van de jury waren het erover eens ‘dat Soortelijk Gewicht compromisloze verzen bevat vol taalkracht en een harpoenerende stijl. Situaties, woorden, wendingen worden compact als kogels op de lezer afgevuurd.’

De dichteres zat op hete kolen. Ze was vereerd, dat wel, maar ze bleef liever anoniem. Uitnodigingen van de redactie van De Revisor voor borrels, recepties en andere openbare festiviteiten had ze daarom  van de hand gewezen.  Ook naar Vlaanderen wilde ze niet. Hoe dit op te lossen?

Ze besloot de prijs in ontvangst te laten nemen door een vriendin die haar gedichten kende. Die was echter kort tevoren in het ziekenhuis opgenomen en kon onmogelijk naar België afreizen. Wat te doen? Als nu eens de biologische zoon van Mathilde Lippens, Walter van de Laar, de prijs in ontvangst zou gaan nemen?

Zo gezegd zo gedaan. Zoonlief reisde af en stelde zich aan de jury voor. Hij legde de situatie uit, verontschuldigde Mathilde Lippens en las op het podium vier van haar gedichten.

Dacht Van de Laar daarna met de prijs – een bedrag van 40.000 BEF – huiswaarts te kunnen keren, de jury liet weten van Mathilde Lippens eerst een uittreksel uit het bevolkingsregister te willen ontvangen alvorens men het bedrag aan de winnares zou overmaken.

Toen was Leiden in last. Zou Van de Laar genoodzaakt zijn de jury te laten weten dat niet zijn moeder maar hijzelf de laureaat was? Jurylid en dichteres Lut de Block, die intussen in ‘de zoon’ dichter Victor Vroomkoning had herkend, werd door hem apart genomen en haar vertelde hij de waarheid: híj was dichteres Mathilde Lippens, de naam van zijn moeder, die hij als pseudoniem voor de gedichten in Soortelijk Gewicht gebruikte.

De jury voelde zich onaangenaam verrast. De Blanka Gyselenprijs was toegekend aan Mathilde Lippens, dus had Walter van de Laar daar geen recht op. Volgens het reglement moest het gaan om een bestaand dichter, en Mathilde Lippens bestond weliswaar maar had part noch deel gehad aan de bundel.

Dat schoot Walter van de Laar in het verkeerde keelgat. Temeer, zo schreef hij in een brief aan de burgemeester, omdat deze hem ‘ten overstaan van enkele juryleden (had) verzekerd dat – hoewel de zaak misschien niet helemaal korrekt is verlopen – de prijs wel degelijk zou gaan naar Mathilde Lippens.’ Bovendien: ‘Wat u niet weet (maar inmiddels een der juryleden, Lut de Block, wel) is dat Mathilde Lippens wel degelijk bestaat. Zij is namelijk mijn moeder, geboren te Antwerpen (Borgerhout). Ik hield haar hand vast, toen zij de gedichten schreef, of misschien was het wel andersom.’ Slot van het liedje: nadat hij via de inlevering van een uittreksel uit het geboorteregister het bestaan van zijn moeder had bewezen, werd de spaarrekening van Walter van de Laar alsnog gespekt met BEF. 40.000,-.

Dat Blanka Gyselen (1909-1959), Vlaams dichteres, toneelschrijfster, journaliste en naamgeefster van de prijs tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met de Duitsers kwam Victor Vroomkoning pas later ter ore. Het Vlaamse cultuurleven had haar haar misstap in de loop der tijd blijkbaar vergeven.

Opkikkertje

De Blanka Gyselenprijs was een aardige opsteker en voor Mathilde Lippens een stimulans om door te gaan.

Op 2 april 1996 verschijnt haar naam in de Volkskrant. Michel Maas bespreekt in de rubriek Tijdschriften onder andere de Nobelprijs-rede van de Japanse schrijver Kenzoburo Oë (1935). Het stuk staat in literair tijdschrift De Tweede Ronde. Maas is jubelend over Oë en meldt dat al het overige in het  desbetreffende nummer verbleekt naast het stuk van de Japanner. Bij hem vergeleken schrijven Nederlanders  een soort drooggemalen polderproza, vindt Maas. Als voorbeeld citeert hij Arnon Grünberg (1971)  die in 1994 De Rabobank Lenteprijs voor literatuur had gewonnen en definitief was doorgebroken als schrijver: ‘Vroeger had ik een boot. Daar voer ik mee door de grachten van de stad. De boot was van ijzer en zo’n drie meter lang en bijna helemaal waterdicht.’ Ook schrijver Viktor Frölke (1967) krijgt ervan langs. Nee, dan de verzen van Mathilde Lippens, daar knap je van op, vindt recensent Maas in een wat oneerlijke vergelijking van proza met poëzie. Hij noemt ze ‘prettige gedichten’ en citeert een van de vijf gedichten die in het dan jongste nummer van literair tijdschrift Maatstaf staan[1]:

Vrouw

Fluitketelend, stofzuigerend,
magnetronnend ben ik altoos
de zijne, zijn troetelmoeder,
zijn lijfeigenste, zijn
hittebestendigster.

Van Michel Maas geen onvertogen woord over de rolbevestigende teneur van het gedicht. Droomde de man rustig verder, ondanks twintig jaar vrouwenstrijd? Had gangmaker van de tweede feministische golf Joke Kool-Smit (1933-1981) anno 1996 nog steeds gelijk met haar uitspraak dat vrouwen een ‘kudde stofzuigervee’ zijn?[2] En waarom klonk uit de feministische hoek geen oorverdovend boe-geroep? Was  wat Kool-Smit in 1967 in haar opzienbarende artikel ‘Het onbehagen bij de vrouw’ noemde[3], een stille dood gestorven?

Concurrente Stella Napels

[1] Maatstaf, jrg. 44, nr. 3, 1996.
[2] Withuis,J., Smit, J. Het onbehagen bij de vrouw, 1967. (in: NRC 31 oktober 1997)
[3] De Gids,  jrg. 130, nr. 9/10, 1967.

Wat het antwoord ook mocht zijn, intussen was De Arbeiderspers druk met het corrigeren en vormgeven van de eerste officiële bundel van Mathilde Lippens,  grotendeels gebaseerd op de eerdere concept-bundel Soortelijk Gewicht. Bij de uitgeverij wist de redactie inmiddels wie achter de naam schuil ging. Dat deed echter geen enkele afbreuk aan het enthousiasme van redacteur Peter Nijssen. Die schreef[1]: ‘Ik houd ten aanzien van uw poëzie staande wat ik in mijn eerdere brief noteerde, en voeg daaraan toe dat ik uw poëzie ook buitengewoon ‘scherp’ vind (vorm en inhoud – sharp as a razor), dat uw gedichten getuigen van een grimmige humor en dat ze gesteld zijn in een eigen idioom (slechts hier en daar wat te woordspelerig naar mijn smaak) en dat ze een consistente thematiek bevatten. Ook meen ik iets katholieks te herkennen in uw poëzie, iets liturgisch, mystieks, flakkerende kaarsen in schemerige zijnissen en demonische hondekoppen, en verder iets van een pre-raphaëlitische symboliek, iets Reviaans (maar dan feminien), iets romantisch-decadent, iets Emily Dickinson-achtigs maar dan van deze tijd.’

April 1997 lag de bundel in de winkel onder de titel Lippendienst. Ze bleek geschreven door ene Stella Napels, die in 1996 al met een gedicht in Maatstaf nr. 3 stond en waarin de redactie tevens liet weten dat Napels een alias was van Mathilde Lippens.  ‘Compact als kogels’, meldde De Arbeiderspers over Napels’ Lippenienst in zijn prospectus.

Waarom de naam Mathilde Lippens een geruisloze dood was gestorven? De gedichten waren dermate erotisch vond Walter van de Laar dat hij de naam van zijn moeder, Mathilde Lippens, daaraan niet langer wilde verbinden. Daarom had hij vanaf het eerste gedicht in De Revisor een andere naam voorgesteld.

Op haar beurt was zijn moeder hoogst verbaasd toen haar zoon haar de bundel liet zien. Waarom haar naam niet op het omslag stond, dat had hij toch overwogen? Ze had graag op die manier in de belangstelling gedeeld. Het troostte haar dat in de titel toch min of meer haar achternaam Lippens terug kwam. Dat die titel sterk erotische verzen dekte, wist ze niet.

Opwinding

De pers dook vrijwel onmiddellijk op Lippendienst. ‘Gepakte vrouw neemt wraak met explosie van sarcasme’, kopte Hans Warren in De Gooi en Eemlander.[2] In het Nieuwsblad van het Noorden startte hij met: ‘In huize Napels regeert het mannelijke beest’. En in onder andere  de Zwolse Courant[3] heette het bij Warren: ‘Beestachtige huisvrouwenpoëzie.’  ‘We hebben hier een geval van wat ik oneerbiedig huisvrouwen-poëzie noem’, sabelde Warren poëzie van vrouwen neer. ‘een kleine maar regelmatig vloeiende stroom in onze literatuur. … En de dichtende vrouwen hebben vooral veel te zeggen over de mannen die hen zo slecht behandelen.’  Stella Napels heeft het nog ongelukkiger getroffen, concludeerde hij op basis van de gedichten, maar ze lijkt meer aanleg voor poëzie te hebben. Daarom rondde hij welwillend af met: ‘….. deze tot lustobject gedegradeerde vrouw neemt toch vooral wraak met Lippendienst, een explosie van sarcastische poëzie.’ 

[1] Brief 12 februari 1996
[2] Gooi en Eemlander 22 mei1997. Nieuwblad van het Noorden 30 mei1997. Zwolse Courant 15 mei1997.
[3] Zwolse Courant, 15 mei1997.

Ging Hans Warren er automatisch van uit dat Lippendienst was geschreven door een vrouw,  Gerrit Komrij was achterdochtig, maar hield het kort. ‘Als zij (Stella Napels, red.) een dame is, ben ik tweeëntwintig.’[1] Het leek hem een nieuwe vermomming van Marieke Jonkman, het alter-ego van dichter Anton Ent (1939). Die was furieus over de veronderstelling van Komrij. Zulke vulgaire, triviale gedichten aan hem toekennen? Hij schreef dan weliswaar ook gedichten onder een vrouwennaam, maar de platvloersheid van Stella Napels was Marieke Jonkman ten ene male vreemd. [2]

Waren de reacties op de bundel eerder kritisch verbaasd dan onthutst, Rob Schouten was kritisch positief. In een artikel in Vrij Nederland[3]  ging hij helemaal los: ‘een geile stoeipoes , gekleed in een leren keukenschort en de hand geklemd om een veger als ware het een bovenmaatse fallus’, beschreef hij de vrouw op de voorkant plastisch. Maar daar bleef het niet bij: ‘Een dichteres tussen de dekhengsten: het moet wel een man zijn die zich presenteert als ‘Stella Napels’, opent hij op 7 juni 1997 zijn artikel in de Republiek der Letteren.[4] De dichteres kreeg er genadeloos van langs: er ontbreekt ook maar enige nuance, het gaat over volledige onderworpenheid van de vrouw versus onverbiddelijke drift van de man. De bundel is van begin tot eind hetzelfde, aldus Schouten. Grote poëzie? Kom nou. Schouten heeft eerder nogal wat afgelachen tijdens het lezen. ‘Zo’n fundamenteel onoverbrugbare kloof tussen vrouw en man, daar gelooft toch geen sterveling meer in?’, klonk het bijna retorisch.

Toch duidde hij dat lachen ook positief: ‘Ontdek je die mogelijkheid van (lachend, red.) lezen dan staat er op een eigenaardige manier veel grappigs in Lippendienst.  Bijvoorbeeld het gedicht ‘Squaw’:

‘Immer Wijdlippige komen naar
Splijtende Veer,’ gebiedt zijn signaal.

Ik op mijn knieën voor zijn schaamlap.
‘Immer Wijdlippige haar naam
zijn eer aandoen,’ grimast hij.

‘Is dit een goed gedicht?’, vroeg Schouten zich af. ‘Welnee’, vond hij. ‘Maar het heeft wel iets onbedaarlijks en zelfs op een heel ingewikkelde manier iets van een liefdesdrankje. Wat mogelijk als vernederende spelscène wordt opgevoerd past ook in een portie lekkere ‘kinky’ seks. Zo contraproductief werken de berichten uit paringsland in deze bundel, dat je je haast niet meer kunt voorstellen dat die tegengestelde werking niet óók gewild is.’ En dat gaf er volgens Schouten een spannende dimensie aan.

Schoutens artikel lokte een stevige reactie uit van Simone van Roosduyn uit ‘s-Hertogenbosch. Wat viel er te lachen in Lippendienst? schreef ze venijnig in een ingezonden brief aan Vrij Nederland. En hoezo geloofde niemand meer in de onoverbrugbare kloof tussen vrouw en man? ‘Ik weet bijna zeker dat Stella Napels wel degelijk een vrouw is, dat de bundel niet voor mensen als Schouten is geschreven, dat Lippendienst[5] een verslag is van de ont-eigening van een weerloze vrouw, die zich

[1] NRC,  12 juni 1997.
[2] Vrij Nederland, 21 juni 1997 Republiek der Letteren.
[3] Vrij Nederland, 7 juni 1997.
[4] Vrij Nederland 7 juni 1997.
[5] Vrij Nederland, 21 juni 1997.

desondanks teweer stelt. Het gaat niet om ‘standjes’ zoals Schouten meent, maar om metaforen …. En mocht Napels toch een man blijken te zijn, dan nog is de opgeroepen werkelijkheid waarachtig.’

Ook Piet Gerbrandy nam de bundel onderhanden. Hij noemde Lippendienst in de Volkskrant soms[1] regelrecht pornografisch. Daarom kon Stella Napels geen vrouw zijn. Volgens hem bleven de gedichten steken in aanzetjes, er ontbrak vakmanschap. Nee, dan de bundel Liefdeswoorden van Adriaan Morriën, die hij besprak in dezelfde recensie. Morriën wilde volgens Gerbrandy ‘poëzie maken die zo teder is, dat ze samenvalt met de liefkozing zelf. … Zijn poëzie bewijst dat niet alle mannen zwijnen zijn.’

Ontmaskering

Speculeerden Komrij en Schouten alleen nog maar over de sekse van de schrijver van Lippendienst, Annemiek Neefjes van Vrij Nederland pakte door en kwam na een intensieve speurtocht [2] in Vrij Nederland met de ontmaskering. In het najaarsprospectus van De Arbeiderspers had vermeld gestaan dat Napels een pseudoniem was van Mathilde Lippens. die een postbus in Nijmegen had. Neefjes greep de telefoon en belde de enige Lippens die het telefoonboek vermeldde. Nee, daar had men nog nooit van Napels gehoord. En Lippens wist absoluut zeker dat zijn dochter en vrouw geen gedichten schreven.

Neefjes liet zich niet uit het veld slaan. Ze speurde Roger de Neef op, jurylid bij de toekenning van de Blanka Gyselenprijs, toegekend aan Mathilde Lippens. Of hij wist wie er achter Mathilde Lippens zat? Een man uit Nijmegen, Walter van de Laar, zelf dichter, kwam de prijs voor Lippens ophalen, herinnerde hij zich. Diezelfde Van de Laar dichtte sinds jaar en dag onder de naam Victor Vroomkoning, wist Neefjes. Ze greep de telefoon en belde op. Vroomkoning nam nietsvermoedend aan. ‘Goede morgen meneer Vroomkoning. Of moet ik Stella Napels zeggen?’, klonk een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn.

Volledig overdonderd gaf Van de Laar/Victor Vroomkoning onmiddellijk toe. Hoe was het mogelijk dat hij ontmaskerd was? Hij had er alles aan gedaan om verborgen te blijven. Er was een speciaal postbusnummer geregeld voor Stella Napels. In het prospectus van De Arbeiderspers stond een foto van een wildvreemde vrouw, hij had een geboortejaar gefingeerd, had uitsluitend schriftelijk gecorrespondeerd met uitgevers, had alle uitnodigingen voor borrels beleefd afgeslagen en bij de presentatie van Lippendienst  in Tilburg had zijn toenmalige vriendin zich voorgedaan als Stella Napels. De enkeling die wist dat achter Mathilde Lippens en Stella Napels Walter van de Laar/dichter Victor Vroomkoning schuilging, had zijn mond gehouden. En wat gebeurt er? Walter van de Laar himself verpest de boel. Natuurlijk, als hij op zijn hoede was geweest had hij de ontmaskering nog even kunnen uitstellen. Maar het was te laat.

Was het dan toch onvoldoende gelukt in de huid te kruipen van een vrouw die keihard afrekent met de man die haar heeft verlaten?, vroeg Van de Laar zich af. Was zijn woordkeus alsnog te mannelijk? Neem bijvoorbeeld ‘Balspel’, dat kon toch alleen maar zijn geschreven door een vrouw die zich aan de kant voelt gezet en wraak neemt?:

[1] de Volkskrant 27 juni 1997.
[2] Vrij Nederland 21 juni 1997, Ter Zake.

BALSPEL

Mijn vingers de rondingen toegenegen
- ik kaatste ze een na een de lucht
in, soms raakten ze de hemel
dacht het strelend kind in mij –
hoe kon ik vermoeden ze ooit te moeten
ontwijden, kleden, knijpend, laag?

Waarom rukte ik ze niet uit het vlezen
net van hun drager, verslond ik ze
niet met huid en haar?

Dat taalgebruik klopte wel degelijk, vond Mirjam van der Zee, die de bundel in juni 1997 recenseerde in vrouwenkrant Surplus. Hoewel de argwaan van Schouten en Komrij terecht bleek en Stella Napels inderdaad een man was vond zij hun verklaring daarvoor een wonderlijke: in deze bundel werd zulke platte seks beschreven, dat hij volgens beide heren eenvoudig niet van een vrouw afkomstig kon zijn. Maar dan hebben Komrij en Schouten blijkbaar nooit een bezoek aan de gemiddelde kantoortuin gebracht, merkte Van der Zee spottend op. ‘Beluister de vertrouwelijkheden en grollen die vrouwen uitwisselen onder mannen in de buurt, dan weet je beter’, raadt Van der Zee hun aan.

Niettemin vindt ze de bundel van onvoldoende kwaliteit. Vaak beginnen de gedichten veelbelovend, maar de mogelijkheden die het thema biedt worden niet benut, schrijft ze. ‘De vrouw doet braaf wat haar wordt bevolen: “Lig! Kniel! Kruip” gebiedt hij haar keer op keer. Zij doet braaf wat haar bevolen wordt. Zo’n vrouw zou je willen toeroepen: zorg dat je wegkomt! Nergens overstijgt de bundel de kale beschrijving’, vindt Van der Zee.  Of de dichter een man of vrouw is doet volgens haar niet ter zake. Is het goede poëzie, daar gaat het om.’

Terugblik

Hoe kijkt Van de Laar anno 2018 terug op alle commotie rondom Stella Napels en haar Lippendienst, die de verkoop flink had doen stijgen? ‘Wat me verbaasde was dat mensen als Komrij en Schouten zich opwonden over het feit dat Stella Napels een man bleek. Dit kón gewoon niet, vonden ze. Er waren weinig woorden over de kwaliteit van de gedichten. Zelf weet ik best dat dit niet mijn beste gedichten zijn, maar dan nòg beoordeel je als vakbekwame recensent gedichten op hun kwaliteit. Piet Gerbrandy is een van de weinigen die iets hebben gezegd over de kwaliteit. Hij vond[1] dat de gedichten bleven steken in aanzetjes en weinig opzienbarende ideetjes. Daar kan ik wat mee.’

Waarom Van de Laar in de huid van een vrouw is gekropen? ‘Ik was benieuwd of ik vanuit een vrouwelijk ‘ik’ kon dichten. Tegelijkertijd wilde ik wel eens nagaan in hoeverre recensenten zich in hun oordeel laten leiden door de sekse van de dichter. Ik wilde laten zien dat de ‘ik’ in gedichten niet automatisch de dichter is, dat de ‘ik’ in het gedicht niet per se overeen hoeft te komen met het geslacht van de dichter. Daarover wilde ik een discussie op gang brengen. En wat de hevigheid van de (negatieve) reacties betreft: ik vermoed dat die te wijten is aan de gender-switch die ik maakte en niet aan het gebruik van een pseudoniem als zodanig.’

[1] de Volkskrant, 27 juni 1997.

Het idee dat de gedichten van Stella Napels vrouwonvriendelijk zouden zijn, werpt Van de Laar ver van zich af. ‘Deze gedichten hebben niets te maken met feminisme. Ze gaan daaraan voorbij. In Lippendienst is geen sprake van erotiek maar van – soms genadeloze – seksualiteit. Het zijn gedichten geschreven door een vrouw die wraak neemt op de man die haar molesteerde. Hier komt alleen de lichámelijke liefde aan de orde, voor zover je tenminste van liefde kunt spreken.’

Is hij er al met al niet echt in geslaagd in de huid van een vrouw te kruipen? Gedeeltelijk wel, vindt hij, gezien het feit dat vóór de verschijning van Lippendienst zo’n dertig gedichten van Mathilde Lippens, zijn eerdere pseudoniem, in een aantal gerenommeerde tijdschriften waren verschenen. Van reuring was toen totaal geen sprake.

Toch was er blijkbaar iets waardoor er bij de verschijning van de bundel argwaan ontstond. Dat zou kunnen liggen aan het taalgebruik, ook al legde hij dat voor aan zijn toenmalige vriendin. ‘Misschien waren woorden als kut, bek, memmen, teef toch nog te veel de woordkeus van een man’, blikt hij terug ‘en is alleen een ‘windstil gedicht’ als ‘Hoogliedje’ een ‘vrouwengedicht’. Als ik zie hoe vaak dat gedicht gebloemleesd is dan ben ik er daar blijkbaar wèl in geslaagd volledig in de huid van een vrouw te kruipen.’:

HOOGLIEDJE

Dat geen jakhals, geen vos mijn tuin
verniele, dat ik geur naar mirre en
laurier, dat mijn ogen duiven zijn,
mijn borsten tweelingwelpen, granaat-
helften mijn wangen, mijn flanken reeēn.
O lippen van honing, ivoren hals, o
kuikendonzen heuveltje, fluwelen bron.

Waai door mij heen Wind, waai door
mijn palmhaar, ritsel zachtjes tussen
mijn gazellendijen. Kom, vandaag geen
last van mijn gehate vlees, geen hinder
van gesmoorde lust, geen ergernis
om wat ze met me deden, geen smart
om wat ze lieten. Mijn tong is als
een zotte pen, mijn lijf een bundeltje
lieftalligheid, een weitje leliën, lust-
hof vol saffraan, muskaat, kaneel.

Of Van de Laar nog eens een bundel als Lippendienst  zou schrijven, had Annemiek Neefjes hem door de telefoon gevraagd toen ze hem als Stella Napels had ontmaskerd. Zijn antwoord: ’Ik denk niet dat ik het een tweede keer kan opbrengen.’

Toch waagde hij in 2013 de sprong nóg een keer met de erotisch getinte bundel Paren, nu onder zijn mannelijk pseudoniem Victor Vroomkoning. ‘Na alle  commotie was opnieuw schrijven onder de naam Stella Napels onmogelijk geworden, vond ik. Bovendien was mijn experiment voltooid. De opschudding over Lippendienst zegt genoeg over de gender-discussie van toen in de poëzie, een discussie die nog steeds wordt gevoerd.’

Victor Vroomkoning Tachtig, Zijn mooiste gedichten/ Intiem bestaan, over de poëzie van Victor Vroomkoning Gebroken WitVrije ValParenOmmezienDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekVerloren spraakIJsbeerbestaanLippendienstOud zeerEcho van een echoKlein MuseumDe laatste dingenDe einders tegemoetOorlogsgeweld in OoijpolderMijn overbuurvrouw is een meeuwLevensbericht Wam de MoorHet Nijmegengevoel Langs brede rivierenOranjesingel 42 Het BenedenstadsliedIk wou dat ik een vogel wasViering 80ste verjaardag op 6 oktober 2018Vluchtelingen in de stadVroom, frivool, VileinIlja Leonard PfeijfferOmtrent VincentGelderlandDe 100 mooiste wielergedichtenVan Hugo Claus tot Ramsey NasrAvenueDe eerste eeuw van BoonDe Nederlandse poëzie in pocketformaatBoem Paukeslag!Tijd is niks, Plaats bestaatOlifant in BoaDe bruiloft van KanaSchijndel belicht en gedichtPoëzie & beeldenStadsdichters bijeenLuister - Rijk - KijkenArnhem-NijmegenAgenda 2007TransfiguratieVers verpaktVerstild Nijmegen, Agenda 2006Waar ik naar verlang vandaagHet liefste wat ik heb25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005Agenda 2005Nooit te vangen met haar eigen penNavel van ’t landSpiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst1944 - Brabants Centrum - 2004Alles voor de liefde10 Jaar NijmegenprentDe geur van ieder seizoenHet is vandaag de datumDe mooiste sonnetten van Nederland en VlaanderenHoe wordt je halfopen mond gedichtRoute 65Het mooiste gedichtBr.O.Nr.Geen dag zonder liefdeInversZie de stille minuut van de roosGroesbeekOmmetje DukenburgEen proces in de hersenenKeer dan het getij en schrijf!Circuit des SouvenirsSchrijversportrettenDodemontStapelenHet formaat van waterlandBij verstekIJsbeerbestaanTurning TidesEen zucht als vluchtig eerbetoon